Verschillende quiltmethoden met verhoogd reliëf, zoals trapunto en boutis

Hedendaags werk in trapunto. De lichte stof geeft een mooi schaduweffect.

Quilten bestaat in de basis uit twee lagen stof met een laag opvulmateriaal die op elkaar zijn genaaid met sierlijk stikwerk. Afhankelijk van de dikte en soepelheid van het opvulmateriaal ontstaat er een stof met reliëfeffect. Om dit reliëfeffect te versterken wordt van oudsher gewerkt met alternatieve quiltmethoden. Daarbij wordt plaatselijk de ruimte tussen de stoffen opgevuld met bijvoorbeeld watten of koord. Andere delen worden juist niet opgevuld. Afhankelijk van de methode en de regio van afkomst zijn er verschillende benamingen voor deze handwerktechniek, zoals trapunto, boutis en Zaans stikwerk.

Jachtvest, India, 1605 - 1627, Victoria and Albert Museum, London.

Jachtvest, India, 1605 – 1627, Victoria and Albert Museum, London.

Trapunto en boutis en dergelijke stammen als techniek van oorsprong uit India en het Midden-Oosten. Deze is via de Middellandse Zee vanaf de 13de eeuw naar Europa gekomen, te beginnen bij Italië en Frankrijk. Het is een arbeidsintensieve en daardoor kostbare techniek die met name voor de decoratie van kleding voor de hogere standen werd gebruikt. Over de benaming van de verschillende technieken van reliëfwerk bestaan nogal wat misverstanden. Dat komt mede doordat de techniek in verschillende regio’s werd toegepast. In dit artikel geven we een overzicht van de verschillende technieken, waaronder trapunto en boutis. We beschrijven ook het ontstaan ervan en de regio’s waar deze (het eerst) werden uitgevoerd.

Trapunto

Trapunto is al bekend sinds de 13de eeuw en vindt zijn oorsprong op Sicilië. Eén van de oudste, nog bestaande voorbeelden is de zogenaamde Tristan Quilt, een linnen trapunto-quilt uit Sicilië die de legende van Tristan en Isolde vertelt. Een deel bevindt zich in het Victoria & Albert Museum in Londen, een ander deel in het Bargello Paleis in Florence. Trapunto werd geëxporteerd naar veel Europese landen en was bijvoorbeeld populair in Tudor-Engeland (1485 – 1550).

De Tristan Quilt in trapunto, detail, Victoria & Albert Museum, circa 1360 - 1400.

De Tristan Quilt in trapunto, detail, Victoria & Albert Museum, circa 1360 – 1400.

Bij trapunto worden twee lagen stof op elkaar genaaid in sierlijke patronen in rijgsteek. Vervolgens wordt vanaf de achterkant de ontstane vakken tussen de stiknaden opgevuld met watten. Zo ontstaan er een soort kleine kussentjes en het geheel vertoont een reliëf. Verschillende soorten stikwerk geven een afwisselend effect van licht en donker, beïnvloed door de wijze waarop het licht op de quilt valt. Het schaduwwerk komt het mooiste uit op lichte, enigszins glanzende stof. Bij donkere stof valt het schaduweffect grotendeels weg.

Trapunto werd oorspronkelijk vooral gebruikt om kleding te decoreren. Tegenwoordig worden bijvoorbeeld beddenspreien en kussens met trapunto versierd.

Kraamherenmuts in Zaans stikwerk, circa 1725-1750, Centraal Museum Utrecht

Zaans stikwerk, circa 1725-1750, Centraal Museum Utrecht.

Provençaals quilten

Provençaals quilten zijn alle regionale varianten van quiltmethoden met verhoogd reliëf in Zuid-Frankrijk, zoals boutis, matelassage en piqûre de Marseilles (ook wel piqué Marseillais genoemd). De oorsprong van deze quiltmethoden ligt in het Nabije Oosten en India. Voorbeelden van exemplaren van deze quilts arriveerden het eerst via de haven van Marseille in Europa. Daardoor werd deze techniek hier het eerst bekend in de Provence en ontstond daar ook een lokale productie van deze quilts.

Matelassage - Handwerkwereld

Matelassage.

Matelassage

De oudste vorm van quilten in Zuid-Frankrijk is waarschijnlijk matelassage. Het is bekend sinds het midden van de 17de eeuw. Hierbij werd er tussen twee lagen stof als opvulmateriaal een laag watten gelegd en met een rijgsteek in sierlijke patronen de stoffen samengequilt. Matelassage-quilts werden onder andere naar Engeland, Spanje, Italië, Duitsland en Nederland geëxporteerd.

Piqûre de Marseille, eind 17de eeuw

Piqûre de Marseille, eind 17de eeuw.

Piqûre de Marseilles

Wordt ook wel piqué Marseillais, Marseillaans borduren, koordborduurwerk of marcella genoemd. In Nederland is het bekend als Zaans stikwerk. Het was populair vanaf het eind van de 17de tot het begin van de 19de eeuw. Men gebruikte het vooral als decoratietechniek voor kleding. Het is een zeer arbeidsintensieve techniek die maakte dat op deze wijze gedecoreerde kleding toch hoofdzakelijk voor de hogere klassen bestemd was.

Voor deze techniek werd voor de voorkant van het werk een fijne stof als zijde, wit linnen of katoen gebruikt. Aan de achterkant gebruikte men een losgeweven stof. Er werd geen opvullaag gelegd tussen beide stoffen, zoals bij matelassage. De stof werd met een dubbele rij rijgsteken of stiksteken in fraaie patronen samengenaaid. Vervolgens werd vanaf de achterkant van het werk de ruimte tussen de dubbele rijen steken opgevuld met een koord, dat met een stompe naald er tussengeduwd werd.

Voorbeeld van boutis uit La Maison de Boutis

Voorbeeld van boutis uit La Maison de Boutis.

Boutis

Boutis is eigenlijk een opvolger van piqûre de Marseilles vanaf het begin van de 19de eeuw. Het kenmerkt zich door eenvoudiger (je zou kunnen zeggen: grovere) patronen die met meer watten werden opgevuld. Voor boutis wordt een grote verscheidenheid aan patronen gebruikt, zoals dieren, religieuze en mythologische symbolen, florale motieven enz.

‘Boutis’ is een provençaals woord voor opvullen, maar ook de stompe naald van buxus die hiervoor wordt gebruikt heet boutis. Tegenwoordig is boutis een verzamelnaam geworden van alle Provençaalse opvultechnieken, inclusief trapunto. Een breed overzicht van deze technieken is te vinden in het museum La Maison de Boutis in Calvisson, Frankrijk (website, Franstalig).

Duidelijke demonstratie van trapunto.

Techniek

Het effect van trapunto en boutis en soortgelijke technieken is prachtig en zeker de moeite waard om zelf eens te proberen. Houd u daarbij rekening met een aantal zaken:

  • Om van de achterkant van het werk de vulling in te stoppen verdient het aanbeveling om daar een losgeweven stof te gebruiken. Zo kunt u makkelijk met een stompe naald een gaatje maken om het vulmateriaal in te stoppen.
  • Een lichte, fijngeweven stof aan de voorkant geeft het mooiste schaduweffect. Donkere stoffen tonen het effect van uw werk in mindere mate.
  • Om het werk goed vlak te krijgen gebruikt u een borduur- of quiltring en begint u met het stikwerk in het midden en werkt u naar buiten toe. Zeker grotere oppervlakten lenen zich niet voor de naaimachine, omdat het werk dan niet goed vlak gehouden kan worden.
  • Gebruik voor het opvullen een stompe naald, bijvoorbeeld een boutis, zodat u geen gevaar loopt door de stof aan de voorkant heen te steken.
  • Gebruik voor de stiksels garen in dezelfde kleur als de stof aan de voorkant.
Rijgsteek

Rijgsteek.

Stiksteek

Stiksteek.

 




Aantal keren gelezen: 46374.

Deel dit artikel
FacebooktwitterredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedintumblrmailby feather

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *