Archives

Het Wandtapijt van de Apocalyps uit 1382, het grootste geweven wandkleed ter wereld

In het westen van Frankrijk, aan de rivier de Maine, ligt in de stad Angers een imposant kasteel uit de 13de eeuw, het Château d’Angers, ooit het stamslot van de hertogen van Anjou, een van de belangrijkste adellijke families van Frankrijk. Op het 25.000 m2 grote terrein van het kasteel bevindt zich een speciale galerij, gebouwd om het Tenture de l’Apocalypse (het Wandtapijt van de Apocalyps) tentoon te stellen. Dit bijzondere wandtapijt is in de jaren 1377 tot 1382 geweven in opdracht van Louis I, hertog van Anjou. Met een lengte van 103 meter en hoogte van 4,5 meter is het Wandtapijt van de Apocalyps het grootste geweven wandtapijt ter wereld.

Luchtfoto van het Château d'Angers.
Luchtfoto van het Château d’Angers.
Geschiedenis van het ontstaan
De plaats Angers werd in 1204 veroverd door de Franse koning Phillipe II en in de jaren 1240-1250 liet zijn kleinzoon, koning Louis IX, op de plaats van een eeuwenoud fort het enorme kasteel van Angers bouwen, 25.000 m2 groot en voorzien van 17 massieve torens. Het kasteel werd het stamslot van de hertogen van Anjou, waaruit zowel het Engelse koningshuis Plantagenêt als het koningshuis Anjou-Sicilië zou voortkomen. Alhoewel het kasteel in de 800 jaar sindsdien vele slagen en oorlogen heeft meegemaakt en tijdens de Tweede Wereldoorlog ernstig beschadigd raakte, zijn de muren en torens nog steeds indrukwekkend.
St. Michael bevecht de draak.
St. Michael bevecht de draak.
De Derde Ruiter van de Apocalyps, Dieu et majesté.
De Derde Ruiter van de Apocalyps, Dieu et majesté.
Het Tenture de l’Apocalypse werd gemaakt in opdracht van Louis I, hertog van Anjou en broer van koning Charles V (‘de Wijze’) van Frankrijk. Hij gaf medio 1375 aan zijn Vlaamse hofschilder Jan van Bondolf (Jean Bondol) opdracht om de tekeningen voor het kleed te maken (de kartons, zoals die als basis voor het weven van een wandtapijt werden gebruikt) en het wandtapijt werd in slechts vijf jaar, tussen 1377 en 1382, in Parijs in het atelier van Nicholas Bataille geweven.
Een combinatie van legende en realiteit
De afbeelding van de Apocalyps is een weergave van de Openbaringen van Johannes uit waarschijnlijk de eerste eeuw van onze jaartelling. Zoals alle oude weergaven van Bijbelse taferelen zijn ook de afbeeldingen op dit wandtapijt sterk beïnvloed door die tijd, met name door de gebeurtenissen tijdens de Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland (1337-1453). Op veel afbeeldingen is te zien welke verschrikkingen de oorlog aanrichtte.
Tenture de l'Apocalypse, weergave van de verschrikkingen van de Honderdjarige Oorlog - foto Remi Jouan.
Tenture de l’Apocalypse, weergave van de verschrikkingen van de Honderdjarige Oorlog – foto Remi Jouan.
Het wandtapijt bestond van oorsprong uit zes delen van 24 meter breed en 6,1 meter hoog. Ieder deel begon met een grote afbeelding over de gehele hoogte van het tapijt en werd opgevolgd door twee horizontale rijen van ieder zeven afbeeldingen, 90 in totaal dus. Hiervan hebben slechts 71 afbeeldingen de eeuwen overleefd.
Twee detailopnamen van het tapijt, een haas dat in en uit zijn hol kruipt - foto Jean-Pierre Dalbéra.
Twee detailopnamen van het tapijt, een konijn dat in en uit zijn hol kruipt – foto Jean-Pierre Dalbéra.
De Vierde Ruiter van de Apocalyps, de Dood.
De Vierde Ruiter van de Apocalyps, de Dood.
Materiaal en afbeeldingen
Het tapijt is geweven met wollen en zijden garens en aangevuld met goud- en zilverdraad. De dominante kleuren zijn rood, blauw en beige, ondersteund met groen en oranje. De kleuren zijn in de loop der eeuwen natuurlijk wat fletser geworden, maar de afbeeldingen zijn nog steeds duidelijk te onderscheiden.
Jan van Bondolf’s ontwerp is in de stijl van de toenmalige Frans-Vlaamse school, met levendige, realistische figuren op iets groter dan menselijk formaat op een rustige achtergrond. De figuren stralen veel energie uit en zijn zeer indrukwekkend, mede door het formaat van het tapijt. Voor zijn tijd is het ontwerp redelijk vooruitstrevend, wat bijvoorbeeld te zien is aan de Vierde Ruiter van de Apocalyps, de Dood. Deze is afgebeeld als een lijk in sterke mate van ontbinding, hetgeen Engelse invloed verraadt, in tegenstelling tot de Franse gewoonte om de Dood als een gewone ruiter af te beelden.
La Grande Prostituée sur les eaux, afbeelding uit het vijfde deel van het kleed - foto Jean-Pierre Dalbéra.
La Grande Prostituée sur les eaux, afbeelding uit het vijfde deel van het kleed – foto Jean-Pierre Dalbéra.
Een wonder dat het tapijt nog bestaat
De hertogen van Anjou hebben het tapijt ongeveer een eeuw in bezit gehouden. In 1480 vermaakte hertog René van Anjou het tapijt aan de Kathedraal van Angers, waar het verbleef tot de Franse Revolutie. Tijdens de Franse Revolutie werd de kathedraal geplunderd en het tapijt in stukken geknipt en voor allerlei doeleinden gebruikt: als vloerkleed, isolatiemateriaal in muren en om sinaasappelbomen tijdens de winter af te dekken om ze tegen de vorst te beschermen. Overigens werden in die tijd veel wandtapijten verbrand om het goud en zilver eruit terug te winnen en te gelde te maken.
De overgebleven 71 delen werden in 1848 ontdekt, hersteld en in 1870 aan de kathedraal teruggegeven en daar weer tentoongesteld. De omstandigheden in de kathedraal waren verre van ideaal en in 1954 werd het tapijt teruggebracht naar de originele verblijfplaats, het Château d’Angers, en daar tentoongesteld in een speciale galerij, ontworpen door de architect Bernard Vitry. Aan het eind van de vorige eeuw is deze galerij verder verbeterd met professionele verlichting en klimaatbehandeling, zodat het wandtapijt nu onder ideale omstandigheden de toekomst met vertrouwen kan tegemoetzien.
Lees en zie hier hoe een wandtapijt wordt geweven.
37 afbeeldingen van het Tenture de l’Apocalypse.
La Bête de la Mer, het monster uit de zee - foto Kimon Berlin.
La Bête de la Mer, het monster uit de zee – foto Kimon Berlin.




Deel dit artikel
FacebooktwitterredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedintumblrmailby feather

De geschiedenis van de Navajo’s vertaalt zich in de Navajo weefkunst

De Navajo’s zijn een van de oorspronkelijke volken uit het zuidwesten van het gebied van de tegenwoordige Verenigde Staten. Er wonen tegenwoordig circa 300.000 Navajo’s in de staten Utah, New-Mexico en Arizona. Zoals de meeste indiaanse volken hebben de Navajo’s zwaar geleden onder de kolonisatie van blanken. Opvallend is dat de geschiedenis van de Navajo’s hun weerslag heeft gehad op de ontwikkeling van hun weefkunst.

Internationaal vermaard
De klassieke Navajo-weefsels worden beschouwd tot het beste wat er internationaal wordt gemaakt en de weefsels zijn dan ook zowel in de Verenigde Staten als daarbuiten zeer gezocht. Oorspronkelijk werd er vooral geweven om kledingstukken van te maken, maar tegenwoordig maken dekens, kleden en serapes (een deken-achtige sjaal die over één schouder wordt gedragen) de hoofdmoot uit. Het meeste wordt tegenwoordig voor de handel geweven, maar nog steeds op het traditionele weefraam.
Navajo-vrouw met kinderen
Navajo-vrouw met kinderen.
Geschiedenis en ontwikkeling verweven
Algemeen wordt aangenomen dat de Navajo’s in de periode 1300 – 1650 het weven hebben geleerd van de Pueblo’s, een buurvolk in dezelfde streek. Waarschijnlijk hadden de Spaanse kolonisten de Pueblo’s toen al beïnvloed in hun weefpatronen. Terwijl de Pueblo’s zich altijd hebben beperkt tot weefsels met horizontale strepen, ontwikkelde de patronen van de Navajo’s zich echter door de eeuwen heen onder allerlei invloeden verder.
Andere Spaanse invloeden waren de vervanging van katoen met wol en het gebruik van indigo als kleurstof. Navajo’s maakten destijds een tuniek-achtig kledingstuk, hemden voor mannen, gordels, haarbanden en serape-achtige dekens om als kledingstuk te dragen.
Navajo deken met terras- en getrapte patronen, circa 1870-1880 - Brooklyn Museum
Navajo deken met terras- en getrapte patronen, circa 1870-1880 – Brooklyn Museum.
Meer dan een eeuw hebben Navajo’s en Pueblo’s dezelfde techniek gebruikt, maar vanaf het eind van de 18de eeuw ging de Navajo-weefkunst haar eigen weg. Zo ontdekten de Navajo’s dat je andere patronen dan horizontale strepen kon maken door de inslag niet over de hele breedte door te halen, maar dat je door op ieder gewenst punt te stoppen andere patronen kon maken. Deze ‘pauzes’ creëerden de schuine strepen die je op weefsels uit die tijd kunt zien.
Rond 1800 werd deze techniek gebruikt om terrasvormige en andere eenvoudige patronen te weven. Ook neigden de Navajo’s tot een sterker kleurgebruik dan de Pueblo’s. Het weefsel van de Navajo’s was zo dicht dat de stof bijna waterdicht werd en deze kwaliteit maakte toen al dat het Navajo weefwerk zeer populair was onder andere oorspronkelijke stammen. In de 19de eeuw werden Navajo dekens dan ook al in heel andere gebieden gevonden dan hun eigen habitat.
Klein formaat Navajo serape
Klein formaat Navajo serape.
Amerikaanse invloed
Toen na de Amerikaans-Mexicaanse Oorlog de Navajo’s zich opeens binnen de Verenigde Staten bevonden brak er een grootschalige oorlog uit tussen de Navajo’s en de blanken. De Navajo’s verloren deze oorlog en werden afvoerd naar een gebied in het oosten van New-Mexico en daar vijf jaar gevangen gehouden. Als vergoeding voor de verloren gegane gebieden ontvingen de Navajo’s hun levensbehoefte in spaarzame mate van de staat. Daaronder bevond zich ook een grote zending Spaanse dekens en kleding.
De noodzaak om te weven werd in deze tijd (rond 1860-1870) minder. De aanwezigheid van voldoende textiel, gecombineerd met de invloed van de Spaanse patronen, zorgde voor een ingrijpende verandering in de weefkunst van de strepen en terrasvormige patronen van de Klassieke Periode naar de driehoek- en diamantvormige patronen in de zogenaamde Overgangsperiode.
In 1868 mochten de Navajo’s terugkeren naar hun oorspronkelijke woongebieden, op voorwaarde van non-agressie. In de periode tot het einde van die eeuw werden de Navajo’s steeds meer een onderdeel van de Amerikaanse economie. Ze kregen nog steeds een jaarlijkse vergoeding in natura en de behoefte om te weven nam af. De wolproductie vond voornamelijk zijn weg naar elders in de VS. Er vestigde zich handelaren in de reservaten die voor de Navajo’s een contact vormden met de rest van de VS.
Hedendaags Navajo-kleed
Hedendaags Navajo-kleed.
Contact met de rest van de wereld
In 1882 bereikte het treinspoor New-Mexico en legden voor de Navajo’s een veel groter handelsgebied open, waarbij de handelaren als tussenpersonen optraden. Zij beïnvloeden de Navajo-wevers om meer vloerkleden te weven en zachtere kleuren te gebruiken, in de verwachting dat dit bij de niet-indiaanse kopers meer in de smaak zou vallen.
De Navajo-weefkunst heeft zich ook in de 20ste eeuw verder ontwikkeld met nieuwe patronen en ander kleurgebruik.  Indiaanse kunst is tegenwoordig populair in de VS en de Navajo-weefkunst bloeit als nooit tevoren.
Techniek
De Navajo’s gebruikten traditioneel een wolsoort met een lange vezel die vroeger met natuurlijke kleurstoffen werd gekleurd. Toen na 1880 de spoorweg hun gebied bereikte kwamen ook aniline-kleurstoffen tot hun beschikking.
De Navajo’s gebruiken een staand, houten weefraam zonder bewegende delen en zitten op de grond voor het raam, waarbij de geweven stof aan de onderkant wordt opgerold. De techniek valt goed te vergelijken met kelim-weven, maar de ketting bestaat uit één lange draad, zodat er dus geen franje aan een weefstuk ontstaat. Een gemiddelde wever besteedt iets van twee maanden tot vele jaren om een tapijt te weven, afhankelijk van de grootte natuurlijk.

Het hele proces van wol tot weven.

Mytholgie
Het weven speelde zo een belangrijke rol in het leven van de Navajo’s, dat er rond het ontstaan van deze vaardigheid een mythologisch verhaal bestond. Volgens deze legende leerde de mythologische ‘Spinnevrouw’ de Navajo’s om een weefraam te bouwen van materialen zoals hemel, aarde, zonnestralen, rotskristal en weerlicht, en hoe daarop te weven.
De weefpatronen en de weefsels hebben verder geen symbolische betekenis en de kleden worden bijvoorbeeld ook niet als gebedskleden gebruikt.
Navajo wevers aan het werk, Hubbell Trading Post, 1972
Navajo wevers aan het werk, Hubbell Trading Post, 1972.

 

Deel dit artikel
FacebooktwitterredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedintumblrmailby feather

Natuur gevangen in weefsels

Wevershuis - wandkleed van Jacqeline Schrier-Vetter 2

 

Wandkleden van Jacqueline Schrier-Vetter (1922-2009) die zijn geweven van handgesponnen, plantaardig geverfde wol.
Jacqueline studeerde piano in Amsterdam. Zij gaf vele jaren pianoles aan onder meer weefster Anneke van Eijk. Jacqueline paste Annekes technieken toe in de gobelins die ze maakte. Naaste weven, bakte Jacqueline ook potten en deed ze aan spinnen en (band)weven, origami en borduren.
Zo wisselden Anneke en Jacqueline hun kunstzinnige métiers uit en raakte Jacqueline meer en meer in de ban van het weven. In eerste instantie werkte zij naar bestaand voorbeeld, maar later naar eigen ontwerpen waarvoor ze inspiratie uit de natuur putte: bomen, vogels en bloemen in kleurrijke fantasievolle vormen.
Ze maakte schetsen met houtskool of aquarellen, daarna een ontwerp. Alle materialen voor de kleden bewerkte zij zelf. Ze kocht schapenvachten, spon de wol, die ze vervolgens beitste en verfde met natuurlijke kleurstoffen als uienschillen, boerenwormkruid, paardenstaart, fluitenkruid, populierenknoppen, indigo en meekrap, maar ook cochenille (een luis).
Bij het overlijden van haar man begin van dit jaar, vonden hun kinderen bij het opruimen van het huis een groot aantal wandkleden op zolder, zorgvuldig in plastic gepakt. Hun enthousiasme over deze vondst vormde de aanzet voor deze tentoonstelling.

Wevershuis - wandkleed van Jacqeline Schrier-Vetter 1

 

Deel dit artikel
FacebooktwitterredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedintumblrmailby feather