Archives

Sits, katoen in bloei

Zonnehoed met sitsen voering, geknipt uit een grote palempore met een bloeiende boom. India circa 1730 - foto Fotostudio Noorderblik.

Glanzende gebloemde katoen uit India, hier gebracht door de VOC

Sits (ook bekend onder de Engelse naam chintz) is een glanzende katoenen stof, versierd met handgeschilderde bloempatronen, afkomstig uit India. De stof werd vanaf 1602 geïntroduceerd in Europa door zeelieden van de VOC, die de sits meebrachten op de terugreis van de Oost. Het Fries Museum te Leeuwarden heeft een van de grootste collecties oude sitsen en heeft nu een speciale tentoonstelling gewijd aan deze bijzondere textielvorm.

Sitsen vrouwenjak, met dubbele vestpandjes en sitsen vrouwenrok met grote motieven, gedragen circa 1765 - foto Fotostudio Noorderblik.
Sitsen vrouwenjak, met dubbele vestpandjes en sitsen vrouwenrok met grote motieven, gedragen circa 1765 – foto Fotostudio Noorderblik.
Van India naar Europa
De eerste kennismaking van Europeanen met sits ontstond doordat de Portugezen deze meebrachten uit India. Het was meteen een sensatie, want de katoenen sits was veel zachter en soepeler dan de tot dan in Europa gangbare linnen en wollen stoffen. De naam ‘sits’ en het Engelse ‘chintz’ komt voort uit het Perzische ‘chitta’, dat ‘bedrukt’ betekent. Voor de goedkopere sits uit India werden de contouren van de patronen namelijk bedrukt met blokstempels.
Sits werd al lange tijd in het oosten gebruikt als ruilmiddel tegen bijvoorbeeld specerijen. De Indiase producenten pasten daarom hun motieven aan voor de diverse markten, zoals China, Indonesië tot zelfs Egypte aan toe. De VOC nam in eerste instantie de sits van India mee naar het tegenwoordige Indonesië om deze als ruilmiddel te gebruiken tegen specerijen. Sommige zeelieden smokkelden echter ook wat sits mee naar Nederland, waar deze kleurrijke stoffen snel in de smaak vielen. Vanaf 1664 gaf de VOC opdracht om de sits als handelswaar mee te nemen naar Nederland.
Overzichtsfoto tentoonstelling met klederdracht - foto Erikjan Koopmans.
Overzichtsfoto tentoonstelling met klederdracht – foto Erikjan Koopmans.
Sitsen Hindeloper wentke (vrouwenjas) voor de lichte rouw. India 1750 - 1800 - foto Fotostudio Noorderblik.
Sitsen Hindeloper wentke (vrouwenjas) voor de lichte rouw. India 1750 – 1800 – foto Fotostudio Noorderblik.
Klederdracht
Met name in Friesland viel de sits zeer in de smaak en werden er allerlei kledingstukken van gemaakt, maar bijvoorbeeld ook gebruikt voor spreien en wandbespanning. Voor veel lokale klederdracht, zoals in Hindeloopen, werd sits gebruikt. Toen uiteindelijk de mode veranderde en de gebloemde patronen uit de gratie raakten omdat de voorkeur veranderde naar kleding van effen stoffen, wist sits zich in klederdracht te handhaven. In bijvoorbeeld de klederdracht van Bunschoten-Spakenburg wordt sits tot op vandaag gebruikt.
Omdat sits als importartikel kostbaar was begon men in de tweede helft van de 17de eeuw in Europa sits zelf te bedrukken. In 1678 werd in Amersfoort de eerste katoendrukkerij geopend, waarbij men als basis de katoenen stof uit India gebruikte. Pas rond 1750 bereikte men een vergelijkbare kwaliteit van het origineel uit India. Toen na 1760 de eerste mechanische spinmachines werden uitgevonden begon men ook in Europa katoen te weven. De prijzen daalden daardoor aanzienlijk en de sits werd onder brede lagen in de bevolking populair. In Nederland bleef men echter op uit India geïmporteerde katoen drukken en prijsde men zich uiteindelijk uit de markt.
Sitsen palempore met bloemen - foto Fries Museum.
Sitsen palempore met bloemen – foto Fries Museum.
Hoe wordt sits gemaakt?
We gaan even terug naar het origineel: de handbeschilderde sits uit India. Kenmerkend voor sits is het gebruik van beitsen om de plantaardige kleurstoffen te hechten aan de vezels en het gebruik van afdekmateriaal zoals (bijen)was. Iedere kleur wordt apart opgebracht, waarbij de delen van de stof die niet met die kleur bedekt mogen worden afgedekt worden met was (vergelijkbaar met batik uit Indonesië). Tussen de verschillende kleurbaden moet de stof telkens gewassen en in de zon gebleekt worden.
De kleuren worden in een vaste volgorde aangebracht, waarbij de sterkste kleuren (die dus het vaakst gewassen worden) eerst worden opgebracht en de zwakkere kleuren later. De kleuren worden gevormd door de diverse beitsen, zoals ijzernat, aluin en tinzout, te combineren met natuurlijke kleurstoffen zoals indigo, meekrap en geelwortel (kurkuma). Wanneer alle kleuren aangebracht zijn wordt de stof nabehandeld met rijstwater en vervolgens gepolijst, zodat deze glanzend wordt. Deze glans verdwijnt echter wanneer de stof gewassen wordt, omdat de was, die de glans veroorzaakt, oplost.
Overzichtsfoto met op de achtergrond enkele wapenpalempores - foto Erikjan Koopmans.
Overzichtsfoto met op de achtergrond enkele wapenpalempores – foto Erikjan Koopmans.
Hindelooper wentke (vrouwenjas) onderdeel van Hindelooper vrouwenkostuum. India, 1725-1750 - foto Fries Museum.
Hindelooper wentke (vrouwenjas) onderdeel van Hindelooper vrouwenkostuum. India, 1725-1750 – foto Fries Museum.
Patronen
Sits is gedecoreerd met bloempatronen, een exotische versiering die tot dan in Europa nauwelijks voorkwam. De patronen zijn zeker niet altijd natuurgetrouw, omdat vaak uit één tak verschillende soorten bloemen voortsproten. De Indiase makers speelden sterk in op de smaak van hun exportmarkten en hadden voor verschillende landen verschillende decors. Als uiteindelijk de handel met de VOC opbloeit neemt men vanuit Europa patronen mee om die in India te laten verwerken. Een typische Europese toepassing zijn de enorme wapenpalempores (spreien met een familiewapen).
Topstukken in het Fries Museum
Het Fries Museum beschikt over een omvangrijke collectie sits in goede staat. Een van de topstukken is een 18de-eeuwse kimono. De stof en het kledingstuk zijn Indiaas, het model is Japans (Nederland had in die tijd als enige een handelspost in Japan, Decima bij Nagasaki) en de drager was een rijke Hollander. De kimono is driehonderd jaar geleden beschilderd, maar ziet er nog steeds uit als nieuw. Het laat als geen ander collectiestuk zien dat in de ogenschijnlijk simpele katoenen stof diverse culturen samenkomen. Een ander topstuk is een wandkleed uit de 17de eeuw, de oudste sits in Nederland, met leeuwen, mythische vogels en amoureuze taferelen.
Detail van sitsen tafelkleed, beschilderd met fabeldieren en figuurscènes. Zuid-India, circa 1650 - foto Fotostudio Noorderblik.
Detail van sitsen tafelkleed, beschilderd met fabeldieren en figuurscènes. Zuid-India, circa 1650 – foto Fotostudio Noorderblik.
Boek bij de tentoonstelling.
Boek bij de tentoonstelling.
Activiteiten en publicatie
Rond de tentoonstelling zijn er verschillende activiteiten. Op meerdere momenten zijn er rondleidingen, lezingen en workshops te volgen. In samenwerking met Crafts Council Nederland wordt er een driedaagse masterclass gegeven. Voor wie zich verder in de sitsen wil verdiepen is er een boek over de tentoonstelling en achtergronden gepubliceerd, geschreven door curator Gieneke Arnolli.
Openingstijden
Dinsdag t/m zondag van 11.00 tot 17.00 uur

Bovenste foto: Zonnehoed met sitsen voering, geknipt uit een grote palempore met een bloeiende boom. India circa 1730 – foto Fotostudio Noorderblik.

Werken van Barbara Broekman, Linda Valkeman en Fransje Killaars - foto Erikjan Koopmans.
Werken van Barbara Broekman, Linda Valkeman en Fransje Killaars – foto Erikjan Koopmans.
Overzichtsfoto tentoonstelling - foto Erikjan Koopmans.
Overzichtsfoto tentoonstelling – foto Erikjan Koopmans.
Deel dit artikel
Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailby feather

Bògòlanfini, de ‘modderdoeken’ uit Mali

In Mali (West-Afrika) wordt een speciaal soort doeken gemaakt, bògòlanfini, van aan elkaar genaaide stroken handgeweven katoen, die vervolgens geverfd worden met een bijzondere techniek, waarbij gebruik wordt gemaakt van gefermenteerde modder. De bògòlanfini behoren de laatste decennia tot het populairste Afrikaanse textiel en een groot deel van de productie wordt dan ook geëxporteerd. Ondanks de groeiende vraag is de traditionele, arbeidsintensieve techniek behouden gebleven.

Leefgebied van de Bambara in Mali.
Leefgebied van de Bambara in Mali.
Traditie van een West-Afrikaans volk
De bògòlanfini (ook wel: bogolan) is een textiele traditie van de Bambara (ook wel Bamana of Banmana), een volk in West-Afrika, vooral in Mali, maar ook in Burkina Faso, Guinee en Senegal, met een eigen taal en cultuur. Van 1712 tot 1861 bestond er ook een Bambara Keizerrijk. Archeologische vondsten in deze regio hebben aangetoond dat de verfstoffen die gebruikt worden voor bògòlanfini al in de twaalfde eeuw bekend waren.
Op deze foto is nog goed te zien dat de bògòlanfini is vervaardigd van meerdere stroken stof.
Op deze foto is nog goed te zien dat de bògòlanfini is vervaardigd van meerdere stroken stof.
Maar wat is een bògòlanfini precies? Het is een katoenen lap, meestal zo’n één bij anderhalve meter groot, gedecoreerd met geometrische patronen in zwart of bruintinten op een lichte, naturelkleurige ondergrond. De betekenis in de taal van de Bambara is samengesteld uit bògò ‘aarde’ of ‘modder’, lan ‘met’ of ‘door middel van’ en fini ‘stof’. De lap wordt door mannen gedragen als hemd tijdens de jacht en door vrouwen als omslagdoek. Wat een bògòlanfini werkelijk onderscheidend maakt is de techniek waarmee deze geverfd wordt.
Wever (guessé dala) van de smalle stroken katoenen stof.
Wever (guessé dala) van de smalle stroken katoenen stof.
Mannen en vrouwen hebben ieder hun eigen taak
De katoen wordt traditioneel gesponnen met een spindel door vrouwen. De gesponnen katoen wordt door mannen in stroken van ongeveer 10-15 cm breed op een handweefgetouw geweven. De stroken worden dan aan elkaar gestikt tot lappen van ongeveer één bij anderhalve meter, tegenwoordig soms ook groter. De vrouwen zorgen vervolgens voor de decoratie, gebaseerd op eeuwenoude tradities waarbij de uiteindelijke doelstelling, bijvoorbeeld bescherming tijdens de jacht of het afweren van kwade geesten bij vrouweninitiatie, het leitmotiv vormt.
De katoenen lappen worden geverfd met modder, waardoor de bògòlanfini ook wel bekend staan als ‘mud cloths’. De lappen worden hiertoe eerst gewassen in gekookt water en vervolgens gedroogd. Dan wordt de stof ondergedompeld in een vloeistof die de bladeren van de inheemse Bogolon-boom bevat. Deze vloeistof kleurt de katoen donkergeel en maakt dat de stof de uiteindelijke kleurstof absorbeert. Het is een soort fixeermiddel.
De decoratie van bògòlanfini wordt traditioneel door vrouwen gedaan.
De decoratie van bògòlanfini wordt traditioneel door vrouwen gedaan.
Geverfd met gefermenteerde modder
Als kleurstof wordt een soort leem gebruikt die een hoog ijzergehalte heeft en die afkomstig is van de oever van plaatselijke rivieren. Deze leem heeft minstens een jaar in aardewerken potten staan fermenteren, waardoor deze een zwarte kleur heeft gekregen. De modder wordt met stokjes, riet of soms een borsteltje op de stof aangebracht. De modder reageert met het fixeer in de stof. Als de modder opgedroogd is wordt de stof gewassen en in de zon gedroogd. Om de kleur donkerder te maken wordt dit proces meerdere malen herhaald, waardoor het ook mogelijk is om met meerdere kleurschakeringen te werken, van lichtbruin tot zwart.
Als de kleur uiteindelijk de gewenste diepte heeft bereikt wordt de lap gewassen in een vloeistof die gierstzemelen en pinda’s bevat, waardoor de kleur gefixeerd wordt en op de niet-geverfde delen het geel van de eerste fixeer verdwijnt en de oorspronkelijke naturelkleur van het katoen weer te zien is. Na vier tot zeven dagen is de lap dan klaar.
Soms wordt de leem aangebracht met een borsteltje.
Soms wordt de leem aangebracht met een borsteltje.
Decoratie
De decoratie van de bògòlanfini is niet zomaar versiering, maar heeft een betekenis. Het zijn abstracte of semi-abstracte afbeeldingen van alledaags voorwerpen of elementen uit de natuur. De populairste afbeeldingen symboliseren belangrijke gebeurtenissen uit de geschiedenis van de Bambara of het succes van helden.
Ook de richting van de patronen is geen toeval; voor vrouwen is het patroon horizontaal, omdat de bògòlanfini om het lichaam wordt gewikkeld, terwijl van de lap voor mannen een hemd wordt gemaakt en de stof verticaal wordt gedragen en het patroon daarop wordt aangepast. Jagers geloven dat de patronen doordrongen zijn van ‘nyama’ en deze de jager tijdens de jacht zullen beschermen. Nyama staat voor energie of levenskracht.
Een moderne toepassing van bògòlanfini.
Een moderne toepassing van bògòlanfini.
Textiel met toekomst
Terwijl veel textieltradities langzaam uitsterven, maakt de bògòlanfini sinds de onafhankelijkheid van Mali (1960) juist een gestage opmars door. Nationaal is kleding van bògòlanfini vaak te zien bij overheidsbijeenkomsten. De bògòlanfini wordt tegenwoordig gezien als typisch Malinees in plaats van alleen maar van de Bambara.
Internationaal is de bògòlanfini bekend geworden door de in Mali geboren mode-ontwerper Chris Seydou (Seydou Nourou Doumbia). Opgeleid in Kati (Mali) en Abidjan (Ivoorkust), vertrok hij in 1971 naar Parijs en werkte daar onder andere voor Yves Saint-Laurent. Terug in Abidjan (1981) ging hij van bògòlanfini westerse kleding, zoals jasjes en minirokken, maken en vermarktte hij die in de VS en Europa. Ook westerse couturiers, zoals Oscar de la Renta, gebruikten de bògòlanfini of in ieder geval de typische decoratie daarvan in hun mode.
Behalve in mode komen we de bògòlanfini tegenwoordig ook in westerse interieurs tegen, omdat de stof en vooral de decoratie zo typisch Afrikaans of ‘etnografisch’ op ons over komt. In Mali wordt een groot deel van de productie door toeristen gekocht of geëxporteerd. De bògòlanfini is daarmee een blijvertje.
Boeken over bògòlanfini
Bogolanfini Mud Cloth (met cd-rom) door Sam Hilu, isbn 978-0764321870
African Mud Cloth. The Bogolanfini Art Tradition of Gneli Traore of Mali door Pascal James Imperato

bogolanfini-bogolanfini-mud-cloth-schiffer-books-sam-hilu-irwin-hersey-9780764321870bogolanfini-african-mud-cloth-the-bogolanfini-art-tradition-of-gneli-traore-of-mali

 

Bògòlanfini - Smithsonian National Museum.
Bògòlanfini – Smithsonian National Museum.
Kussens bekleed met bògòlanfini.
Kussens bekleed met bògòlanfini.

Verschillende voorbeelden van bògòlanfini van de Coopérative de Femmes à Djenné (Franstalige video).

Bògòlanfini in Djenné, Mali.
Bògòlanfini in Djenné, Mali.
Deel dit artikel
Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailby feather

Art Textiles: Marian Clayden

Marian Clayden, Dip Dye, 1970, ruwe katoen, gevouwen en met afdektechniek geverfd.

Het Fashion and Textile Museum in Londen houdt een overzichtstentoonstelling van de onlangs overleden textielkunstenares Marian Clayden, bestaande uit textielkunstwerken van zijde, velours, katoen en gevilte wol. Deze Britse kunstenares (1937-2015) heeft met haar psychedelische, met afdektechniek geverfde stoffen een zeer succesvol modebedrijf in de Verenigde Staten opgebouwd. Op de tentoonstelling ziet u hoe, door gebruik van Shibori verftechnieken, met eenvoudige middelen rijke en complexe effecten bereikt worden.

Marian Clayden.
Marian Clayden.
Marian Clayden werd in Preston, een belangrijke textielstad in het noorden van Engeland geboren. Van beroep was zij onderwijzeres. Toen zij echter een gezin stichtte en niet meer werkte herinnerde ze zich een cursus op school waarbij stoffen werden geverfd en bedacht dat ze dat ook eens thuis kon proberen. Ze had binnen een jaar succes met een tentoonstelling in Sydney. Alhoewel de techniek die ze gebruikte om textiel te verven in veel culturen worden toegepast, gebruikte ze zelf een naam uit Zuidoost-Azië: plangi.
Hippie-stijl
Toen ze in 1967 naar Californië verhuisde viel haar werk snel in de smaak bij de toen opkomende hippie-gemeenschap. De definitieve doorbraak kwam toen Nancy Potts, de decor-ontwerpster van de rockmusical ‘Hair’, haar werk ontdekte en ze de opdracht kreeg om voor zowel het decor als de kleding stoffen te leveren.
Shibori-werk van Marian Clayden.
Shibori-werk van Marian Clayden.
Gedurende de jaren zeventig bleef ze geverfde stoffen verkopen. In 1975 verbleef ze een jaar in Iran, wat haar stijl wezenlijk beïnvloedde. Teruggekomen in de Verenigde Staten verkocht ze steeds meer textiel aan mode-ontwerpers. Eind jaren zeventig nam ze de beslissing om zelf kleding te gaan maken van haar bijzondere stoffen. Volledig autodidact huurde zij een aantal thuiswerksters in om kleding te maken volgens eenvoudige ontwerpen, die door de handgeverfde stoffen toch bijzonder waren.
Art to wear
Om meer van het modevak te weten te komen werd ze lid van de ontwerpersgroep Fashion Network in San Francisco. Met die kennis en de steun van een investeerder groeide haar onderneming snel. Handgeverfde stoffen waren altijd haar handelsmerk geweest, maar nu kregen haar stoffen een sensationelere uitstraling, waardoor haar kleding werd aangeduid als ‘art to wear’. Langzamerhand ontwikkelde ze zich meer tot een haute couture ontwerpster en sinds 1995 verkocht ze, behalve in alle betere zaken in de VS, ook kleding naar Groot-Brittannië en Japan. Daarnaast werden haar ontwerpen ook in collecties van musea opgenomen.
Mode van Marian Clayden.
Mode van Marian Clayden.
Haar bedrijf ontwikkelde zich voorspoedig tot de crisis die werd veroorzaakt door de gebeurtenissen van 9/11. Toen zij in 2005 ernstig ziek was geworden, bleek het niet mogelijk om het bedrijf voort te zetten. Marian Clayden overleed uiteindelijk in september 2015.
Openingstijden tentoonstelling
Dinsdag t/m zaterdag 11.00 – 18.00 uur
Donderdag 11.00 – 20.00 uur
Meer van haar werk ziet u op de aan Marian Clayden gewijde website.
Een collectie mode-ontwerpen van Marian Clayden.
Een collectie mode-ontwerpen van Marian Clayden.
Deel dit artikel
Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailby feather

Yatak, chapan en chekman: traditionele overjassen uit Centraal-Azië

In het ruige landschap van Centraal-Azië hebben sinds prehistorische tijden mensen rondgetrokken: herdersstammen met hun kudden, maar ook handelskaravanen langs de bekende zijderoute tussen China en het Midden-Oosten. Het klimaat in dit gebied kent grote uitschieters, waardoor degelijke kleding een absolute noodzaak is. De mannen in deze landen dragen lange mantels over hun kleding, waarbij de uitvoering kleurrijker en het materiaal duurder is naarmate de bezitter aanzienlijker is. U hebt allemaal wel eens zo’n jas gezien: de Afghaanse president Hamid Karzai draagt er altijd een bij officiële gelegenheden.

Kaart van de Ferghana-vallei in Oezbekistan en TadjikistanCentraal-Azië is een gebied ruwweg tussen het noorden van Iran en het westen van China. Alhoewel de definitie van het gebied varieert, gaat men over het algemeen uit van de landen die op ‘stan’ eindigen: Kazachstan, Kirgizstan, Tadzjikistan, Turkmenistan en Oezbekistan, alle voormalige Sovjet-republieken. Het gebied is niet erg geschikt voor landbouw – het bestaat voornamelijk uit bergen, steppen en woestijnen – en wordt al duizenden jaren doorkruist door herdersvolken, op zoek naar graasgebieden voor hun kudden. Daarnaast is het een kruispunt van diverse culturen met eeuwenoude handelsroutes, bekend onder de naam zijderoute. Met iedereen altijd onderweg was het belangrijk dat alle benodigdheden voor het dagelijkse leven makkelijk vervoerd konden worden, verpakt in tassen en stoffen. Door deze behoefte ontstond hier al vroeg een textielindustrie.
Ontstaan van een ikat-traditie
Met name in de Ferghana-vallei, gelegen in het westen van het tegenwoordige Oezbekistan, ontstond zo’n 2500 jaar geleden een rijke textielindustrie, waarbij vooral katoen en zijde het basismateriaal vormde. De teelt van de zijderupsen was traditioneel vrouwenwerk, terwijl de mannen de cocons kookten om de draad af te wikkelen. De gesponnen garens werden door garenververs, vaak joden, gekleurd door middel van de ikat-afbindmethode. Hierbij worden delen van de garens afgedekt, waarbij de niet-afgedekte delen wel een kleur krijgen en de afgedekte delen hun oorspronkelijke kleur behouden. Traditioneel leverde iedere garenverver één kleur, wat maakte dat naarmate een stof meer kleuren bevatte deze steeds kostbaarder werd. De gekleurde garens gingen daarna terug naar de families die de zijde hadden geteeld, om vervolgens geweven te worden.
Hamid Karzai met een gestreepte chapanDe ikat-stoffen werden in de regel in een combinatie van zijde en katoen geweven, waarbij de ketting van ikat-gekleurde zijde was en de inslag van een monochrome katoen. Hieraan ligt een islamitische motivatie ten grondslag: men gaf er de voorkeur aan dat de huid voornamelijk met de katoen in contact kwam in plaats van met de zijde, waarvan men de aanraking te sensueel achtte. Het ontwerp van de stoffen werd in heldere kleuren uitgevoerd: roze, geel, lila, groen, rood, blauw en zwart. Daarmee contrasteerden deze kleurrijke ikat-stoffen met het wat grauwe landschap. Abstracte motieven, zoals grote concentrische cirkels en diagonale strepen, waren gebruikelijk. Eeuwenlang is deze textieltechniek in en rond de Ferghana-vallei uitgevoerd. Pas tijdens het Sovjet-tijdperk, toen grote groepen Turkmenen naar Afghanistan vluchtten, ontstond ook daar een zijde-industrie. De jas van Hamid Karzai is dus eigenlijk niet inheems.
Verschillende soorten khalat
De traditionele overjas of khalat, van voren open, lengte vaak tot over de knie en met lange mouwen, uitgevoerd in ikatstof of van geborduurd velours, was vaak een schenking van een lokale vorst aan zijn ondergeschikten en gasten, volgens de moslimtraditie om een jas als geschenk aan een welkome bezoeker te geven, een blijk van gastvrijheid. Het woord khalat stamt van het Arabische khilat, dat kledingstuk betekent. Het woord khalat wordt daarnaast ook gebruikt voor de ceremonie van het aanbieden van de mantel.

Chapan van ikat uit Oezbekistan, begin 20ste eeuw

Terwijl de gewone man meestal een gestreepte khalat droeg, toonden de voornamen hun rijkdom door diverse ikat-khalats over elkaar te dragen. Men onderscheidt drie soorten khalats:
  • de yatak, een dunne zomerjas;
  • de chapan is een gevoerde winterjas (Vergelijk de overeenkomst met het Russische woord kaftan en het Poolse woord zupan, welke in beide gevallen als kledingstuk voortkomen uit de chapan. Het woord chapan wordt ten onrechte nog wel eens voor alle Centraal-Aziatische jassen gebruikt.);
  • de chekman is een jas van schapenvel of kamelenhaar, gevoerd met katoen, zijde of een combinatie daarvan.
Afghaanse chapan uit de 20ste eeuwIn alle drie de gevallen is de khalat aan de randen afgewerkt met geweven of geborduurde banden, sheyraz geheten. De khalat wordt gedragen over een lang overhemd en een broek, terwijl als schoeisel vaak laarzen gebruikelijk zijn. Een muts van astrakan of een tyubiteika, een met borduurwerk versierd mutsje, completeert het geheel. Vaak doet men de khalat niet ‘aan’, maar slaat men deze losjes om de schouders, dus met de armen niet in de mouwen. We komen ook regelmatig khalats tegen met mouwen die bijna net zo lang als de jas zijn; bijzonder onpraktisch om daar de armen in te hebben!
Khalats hebben geen zakken. Toiletartikelen, aanstekers en kleine, bewerkte tasjes werden aan een riem gedragen. De tasjes waren meestal met borduurwerk versierd, waarbij iedere stam zijn eigen patronen had.
De uitvoering van de khalat is afhankelijk van de maatschappelijke status van de drager. Zo droegen de vroegere vorsten in deze gebieden khalats van velours, vaak versierd met borduursel van goud- en zilverdraad. Goudbrokaat khalats met zijden ikatvoering of jassen van velours waren gereserveerd voor prinsen en hoge hoffunctionarissen. Leden van de stedelijke elite droegen zijden ikatjassen. De gewone stedelingen, boeren en nomaden dragen katoenen khalats, die meestal gestreept zijn.

Khalat uit Boekhara van zijdebrocaat, laat 19de eeuw

Mohammed Alim Khan van Boekhara draagt een chapan van zijde uit eigen atelierDe indrukwekkendste khalats zijn uitgevoerd in velours van kasjmier wol, versierd met goud- en zilverborduurwerk en gevoerd met ikatstof, een symbool van rijkdom en macht van de drager. Sommige khans (plaatselijke vorsten), zoals die van Boekhara, hadden eigen ateliers waar deze vervaardigd werden. Het rijke borduurwerk met goud- en zilverdraad werd uitgevoerd door mannen, omdat men geloofde dat vrouwenhanden het gouddraad zouden aantasten. Tegenwoordig wordt het borduurwerk in deze streek in ateliers juist door vrouwen gemaakt.
Een khalat kopen
Traditionele khalats komt men nog wel eens tegen op veilingen van onder andere het veilinghuis Christies en in vooraanstaande textielgalerieën. Verkoopprijzen liggen dan tussen de € 400 en €3.000, sterk afhankelijk van ouderdom en kwaliteit. In Amsterdam verkoopt de in Centraal-Aziatische textiel gespecialiseerde galerie Shirdak khalats. Via het internet vindt u ook wel webwinkels die khalats en charpans verkopen, maar deze zijn dan meestal van met moderne technieken gefabriceerde stoffen gemaakt en dus lang niet zo interessant.
Meer informatie
Boek
Asian Costumes and Textiles, Skira Editore, Milaan, ISBN 88-8118-971-2
Internet
Artikel over alle uitingen van de Oezbeekse cultuur
Online galerie 30meeting.com, Charleston, SC, Verenigde Staten
Oezbeekse nationale kleding
Shirdak Silkroad Textile

Chapan van ikat, Oezbekistan, 19de eeuw

 

Deel dit artikel
Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailby feather