Archives

Inca dress code

Tentoonstelling van zeldzaam Inca-textiel uit de precolumbiaanse tijd

Het Museum Kunst & Geschiedenis (voorheen het Jubelparkmuseum) heeft momenteel een grote tentoonstelling over de precolumbiaanse textielkunst der Inca’s. Behalve textiel zijn er ook prachtige ornamenten en sieraden te zien. De tentoonstelling is tot 24 maart 2019 te zien.

Dit kleine zilveren vrouwelijke figuurtje is omwikkeld met twee lagen weefsel die door een kleine gordel en tupu (metalen speld) worden samengehouden. De figuur houdt verband met het capacocha-ritueel. Zilver, veren, lamawol, katoen, 14 x 8,5 cm, periode 1450 - 1532 CE.
Dit kleine zilveren vrouwelijke figuurtje is omwikkeld met twee lagen weefsel die door een kleine gordel en tupu (metalen speld) worden samengehouden. De figuur houdt verband met het capacocha-ritueel. Zilver, veren, lamawol, katoen, 14 x 8,5 cm, periode 1450 – 1532 CE.
Textiel in de precolumbiaanse tijd
Textiel diende natuurlijk voor het maken van kleding en om de muren in bepaalde woningen te bekleden, maar het was bij de Inca’s bovenal een teken van rijkdom. Het werd beschouwd als een waardevol bezit dat stond voor financiële welstand. Het was dan ook een geliefd geschenk bij diplomatieke uitwisselingen of bij offerandes aan de goden. De eerste Spaanse ontdekkingsreizigers hadden meteen grote bewondering voor de kwaliteit van de textielproductie en maakten geregeld de vergelijking met de Europese zijdeweefsels.
De stoffen ontleenden hun waarde niet zozeer aan de snit, die door het gebruikte type weefgetouw noodgedwongen eenvoudig bleef, maar aan de kwaliteit van de vezels, de rijkelijke decoratie en de diversiteit van kleuren en gebruikte symbolen. De drager van een kledingstuk gaf hiermee te kennen wat zijn sociale positie was en tot welke groep hij behoorde. Hij bracht ook een religieuze boodschap over.
In tijden van conflicten vormden kledingstukken en textiel ook een begeerde oorlogsbuit. Krijgsgevangenen werden van hun kledij ontdaan als teken van onderwerping en vernedering, terwijl de overwinnaar zich de kledingstukken toeëigende of aan de goden schonk. De leider van de onderworpen groep werd verplicht dezelfde kleding als de overwinnaar aan te trekken ten teken van zijn nieuwe ondergeschiktheid.
Met katoen geborduurde lamawollen mantel, versierd met een mythologische scène die verband houdt met voorouders en de vrouwelijke vruchtbaarheid. Nasca-beschaving, circa 100 - 600 CE, 255 x 93 cm.
Met katoen geborduurde lamawollen mantel, versierd met een mythologische scène die verband houdt met voorouders en de vrouwelijke vruchtbaarheid. Nasca-beschaving, circa 100 – 600 CE, 255 x 93 cm.
Hoedje met vier punten van lamawol, Tiwanaku-beschaving, periode 600 - 900 CE.
Hoedje met vier punten van lamawol, Tiwanaku-beschaving, periode 600 – 900 CE.
Weefsels in de precolumbiaanse tijd waren goederen die over grote afstand circuleerden. Via diplomatieke weg of door veroveringen konden textielweefsels, veel meer dan aardewerk, soms grote afstanden afleggen. Dit maakt het toewijzen van bepaalde archeologische stukken aan de juiste cultuur niet eenvoudig.
De textielweefkunst doet zijn intrede in de Andes aan het begin van het 6de millennium BCE, nog voor men er aardewerk produceert en de metallurgie beheerst. Gedurende de vele eeuwen die voorafgaan aan de komst van de Europeanen zal ze voortdurend onderhevig zijn aan vernieuwing en technische verfijning.
Dodenmasker van Huaca de la Luna. Mochica-beschaving, goud, koper, schelpen en steen, 26 cm hoog, circa 100 - 600 CE.
Dodenmasker van Huaca de la Luna. Mochica-beschaving, goud, koper, schelpen en steen, 26 cm hoog, circa 100 – 600 CE.
Textiel als een verheven kunstvorm
In tegenstelling tot vele andere beschavingen, zagen de Andesculturen textiel als een van de hogere kunsten, in die mate zelfs dat het textiel, met zijn maakproces en iconografie, andere kunstvormen zoals ceramiek en architectuur heeft beïnvloed. We weten eveneens dat textiel een belangrijke symbolische en sacrale betekenis had. Zo zijn er ‘offers’ bekend van weefsels die men in brand stak om de goden te behagen. Belangrijke overledenen werden letterlijk ingepakt in meerdere, soms tot twaalf, lagen textiel.
De teksten van de eerste Spanjaarden lichten ons eveneens in over de sterke controle die de Inca-vorst uitoefende over de grondstoffen zoals katoen en wol. Hij beschikte ook over spinnerijen en textielateliers die voor zijn rekening werkten en die de allerfijnste weefsels produceerden met een iconografie waarin hij als heerser werd afgebeeld. Het ging dan ook om een hogere hofkunst die gebonden was aan heel strikte regels.
Unku, lamawol en katoen, Chancay of Chimu, periode 1100 - 1450 CE, 142 x 46 cm.
Unku, lamawol en katoen, Chancay of Chimu, periode 1100 – 1450 CE, 142 x 46 cm.
Inca-textiel nauwelijks bekend
Terwijl we de verschillende samenlevingen in de Andes (Peru, Bolivia en Chili) goed kennen aan de hand van hun aardewerk, metaalproductie en mummies, heeft men een minder duidelijk beeld van de wijze waarop de bewoners van de Andes leefden en gekleed waren. Welke vezels gebruikten ze? Over welke kleurstoffen beschikten ze? Hoe werden de weefsels vervaardigd? Wat droegen ze aan hun voeten?
Paar Inca-schoenen van lamaleer en alpacawol, 1450 - 1532 CE, 24 x 10 cm.
Paar Inca-schoenen van lamaleer en alpacawol, 1450 – 1532 CE, 24 x 10 cm.
Deze tentoonstelling is een gelegenheid om kennis te maken met de prachtige weefsels, de vernuftigheid van bepaalde motieven en de schitterende, bonte kleuren die de stoffen en veren uit de precolumbiaanse periode (de periode voor de ‘ontdekking’ van Amerika) tot op heden behielden. Het Museum Kunst & Geschiedenis wilde Andesbewoners van toen als het ware ‘aankleden’ door hun garderobe (schoeisel, kleding, haartooi en sieraden) tentoon te stellen en hen aan de bezoekers voor te stellen in hun dagelijkse bezigheden. Met dit doel voor ogen is de tentoonstelling in drie delen opgesplitst.
Materialen, technieken, omstandigheden
In het eerste deel wordt informatie aangereikt die nodig is om een juist inzicht te krijgen in de kwaliteit van de voorwerpen en om ze naar waarde te schatten. Het museum geeft uitleg bij de verschillende beschikbare vezels, kleurstoffen en de manier waarop de draden voor het weven werden verkregen. Er zal een katoenveld te zien zijn, evenals opgezette lama’s en alpaca’s en balen wol die de bezoekers mogen aanraken. Verder wordt de manier waarop weefsels werden gemaakt getoond, welke soorten weefsel er toen bestonden en op welke manier men ze versierde. Ook de tijdslijn en de geografie van de Andes worden hier voorgesteld, wat een goede inleiding is voor het tweede deel van de tentoonstelling.
Mantel, vermoedelijk dodenmantel, van blauwe lamawollen stof met 53 met katoenen garen geborduurde motieven in telkens tien kleuren. Paracas-beschaving, circa 200 BCE - 100 CE, 240 x 88 cm.
Mantel, vermoedelijk dodenmantel, van blauwe lamawollen stof met 53 met katoenen garen geborduurde motieven in telkens tien kleuren. Paracas-beschaving, circa 200 BCE – 100 CE, 240 x 88 cm.
Inca-hoofdtooi van veren en plantaardige vezels, periode 1450 - 1532 CE, 34 x 26 cm.
Inca-hoofdtooi van veren en plantaardige vezels, periode 1450 – 1532 CE, 34 x 26 cm.
Eenheid en verdeeldheid wisselen elkaar af
In dit deel, het corpus van de tentoonstelling, worden de verschillende producties van textiel, sieraden en tooi uit de Andes voorgesteld in chronologische en geografische volgorde. De expositie toont ongeveer tweehonderd objecten, waaronder een aantal bijzonder goed geconserveerde voorwerpen en topstukken uit verschillende Europese musea en privéverzamelingen. De chronologie van Peru is opgebouwd uit periodes die men ‘Horizon’ en ‘Tussenperiode’ noemt. Een Horizon is een periode waarin de macht en invloedssfeer van een bepaalde beschaving zich over heel Peru uitstrekt. In de zogenaamde Tussenperiodes leven meerdere beschavingen met hun regionale kenmerken en verscheidenheid naast elkaar. Met andere woorden: in de vroege Peruaanse geschiedenis wisselen periodes van betrekkelijke culturele eenheid (Horizon) af met periodes van grote regionale diversiteit (Tussenperiode). Deze Tussenperiodes zijn gekenmerkt door een opeenvolging van kleine koninkrijken die zich uitstrekken van noord naar zuid.
Grote cocatas versierd met gestileerde vogels, lamawol en katoen, periode 1450 - 1532 CE, 81 x 89 cm.
Grote cocatas versierd met gestileerde vogels, lamawol en katoen, periode 1450 – 1532 CE, 81 x 89 cm.
De koloniale en postkoloniale periode
Het derde en laatste deel van de tentoonstelling is gewijd aan het textiel en de tooi uit de koloniale en postkoloniale periode. Hier wordt vooral de voortzetting van de precolumbiaanse traditie belicht. De Europeanen arriveren in 1521 in het huidige Peru en zullen de gewoontes en gebruiken van de volkeren die er leven grondig doen veranderen. Her en der vinden gevechten plaats, waarbij twee verschillende beschavingen, ook op gebied van bewapening, oog in oog komen te staan. Er volgt een lange overgangsperiode van kruisbestuiving tussen de culturen, wat zich ook zal uiten in de kunstproductie en in de kleding. De handwevers van vandaag weven nog steeds op de traditionele manier en maken gebruik van eeuwenoude motieven. De prachtige verzameling weefsels en kledij uit de jaren 1940, die de Koninklijke Musea van Kunst en Geschiedenis bezitten, wordt hier getoond. Het is een van de oudste en rijkste etnografische collecties die bekend is en die jammer genoeg slechts zelden voor het publiek te zien is.
Openingstijden
Dinsdag t/m vrijdag 9.30 – 17.00 uur
Zaterdag en zondag 10.00 – 17.00 uur
Unku, een tuniek in Chuquibamba-stijl van lamawol en katoen. Inca-beschaving, periode 1450 - 1532 CE, 55 x 96 cm.
Unku, een tuniek in Chuquibamba-stijl van lamawol en katoen. Inca-beschaving, periode 1450 – 1532 CE, 55 x 96 cm.
Lendendoek van katoen en veren. Wari-beschaving, periode 600 - 900 CE, 20 x 41 cm.
Lendendoek van katoen en veren. Wari-beschaving, periode 600 – 900 CE, 20 x 41 cm.
Unku met veren, Peru, late Inca-beschaving, tussen 1450 - 1532.
Unku met veren, Peru, late Inca-beschaving, tussen 1450 – 1532.
Deel dit artikel
FacebooktwitterredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedintumblrmailby feather

Sits, katoen in bloei

Zonnehoed met sitsen voering, geknipt uit een grote palempore met een bloeiende boom. India circa 1730 - foto Fotostudio Noorderblik.

Glanzende gebloemde katoen uit India, hier gebracht door de VOC

Sits (ook bekend onder de Engelse naam chintz) is een glanzende katoenen stof, versierd met handgeschilderde bloempatronen, afkomstig uit India. De stof werd vanaf 1602 geïntroduceerd in Europa door zeelieden van de VOC, die de sits meebrachten op de terugreis van de Oost. Het Fries Museum te Leeuwarden heeft een van de grootste collecties oude sitsen en heeft nu een speciale tentoonstelling gewijd aan deze bijzondere textielvorm.

Sitsen vrouwenjak, met dubbele vestpandjes en sitsen vrouwenrok met grote motieven, gedragen circa 1765 - foto Fotostudio Noorderblik.
Sitsen vrouwenjak, met dubbele vestpandjes en sitsen vrouwenrok met grote motieven, gedragen circa 1765 – foto Fotostudio Noorderblik.
Van India naar Europa
De eerste kennismaking van Europeanen met sits ontstond doordat de Portugezen deze meebrachten uit India. Het was meteen een sensatie, want de katoenen sits was veel zachter en soepeler dan de tot dan in Europa gangbare linnen en wollen stoffen. De naam ‘sits’ en het Engelse ‘chintz’ komt voort uit het Perzische ‘chitta’, dat ‘bedrukt’ betekent. Voor de goedkopere sits uit India werden de contouren van de patronen namelijk bedrukt met blokstempels.
Sits werd al lange tijd in het oosten gebruikt als ruilmiddel tegen bijvoorbeeld specerijen. De Indiase producenten pasten daarom hun motieven aan voor de diverse markten, zoals China, Indonesië tot zelfs Egypte aan toe. De VOC nam in eerste instantie de sits van India mee naar het tegenwoordige Indonesië om deze als ruilmiddel te gebruiken tegen specerijen. Sommige zeelieden smokkelden echter ook wat sits mee naar Nederland, waar deze kleurrijke stoffen snel in de smaak vielen. Vanaf 1664 gaf de VOC opdracht om de sits als handelswaar mee te nemen naar Nederland.
Overzichtsfoto tentoonstelling met klederdracht - foto Erikjan Koopmans.
Overzichtsfoto tentoonstelling met klederdracht – foto Erikjan Koopmans.
Sitsen Hindeloper wentke (vrouwenjas) voor de lichte rouw. India 1750 - 1800 - foto Fotostudio Noorderblik.
Sitsen Hindeloper wentke (vrouwenjas) voor de lichte rouw. India 1750 – 1800 – foto Fotostudio Noorderblik.
Klederdracht
Met name in Friesland viel de sits zeer in de smaak en werden er allerlei kledingstukken van gemaakt, maar bijvoorbeeld ook gebruikt voor spreien en wandbespanning. Voor veel lokale klederdracht, zoals in Hindeloopen, werd sits gebruikt. Toen uiteindelijk de mode veranderde en de gebloemde patronen uit de gratie raakten omdat de voorkeur veranderde naar kleding van effen stoffen, wist sits zich in klederdracht te handhaven. In bijvoorbeeld de klederdracht van Bunschoten-Spakenburg wordt sits tot op vandaag gebruikt.
Omdat sits als importartikel kostbaar was begon men in de tweede helft van de 17de eeuw in Europa sits zelf te bedrukken. In 1678 werd in Amersfoort de eerste katoendrukkerij geopend, waarbij men als basis de katoenen stof uit India gebruikte. Pas rond 1750 bereikte men een vergelijkbare kwaliteit van het origineel uit India. Toen na 1760 de eerste mechanische spinmachines werden uitgevonden begon men ook in Europa katoen te weven. De prijzen daalden daardoor aanzienlijk en de sits werd onder brede lagen in de bevolking populair. In Nederland bleef men echter op uit India geïmporteerde katoen drukken en prijsde men zich uiteindelijk uit de markt.
Sitsen palempore met bloemen - foto Fries Museum.
Sitsen palempore met bloemen – foto Fries Museum.
Hoe wordt sits gemaakt?
We gaan even terug naar het origineel: de handbeschilderde sits uit India. Kenmerkend voor sits is het gebruik van beitsen om de plantaardige kleurstoffen te hechten aan de vezels en het gebruik van afdekmateriaal zoals (bijen)was. Iedere kleur wordt apart opgebracht, waarbij de delen van de stof die niet met die kleur bedekt mogen worden afgedekt worden met was (vergelijkbaar met batik uit Indonesië). Tussen de verschillende kleurbaden moet de stof telkens gewassen en in de zon gebleekt worden.
De kleuren worden in een vaste volgorde aangebracht, waarbij de sterkste kleuren (die dus het vaakst gewassen worden) eerst worden opgebracht en de zwakkere kleuren later. De kleuren worden gevormd door de diverse beitsen, zoals ijzernat, aluin en tinzout, te combineren met natuurlijke kleurstoffen zoals indigo, meekrap en geelwortel (kurkuma). Wanneer alle kleuren aangebracht zijn wordt de stof nabehandeld met rijstwater en vervolgens gepolijst, zodat deze glanzend wordt. Deze glans verdwijnt echter wanneer de stof gewassen wordt, omdat de was, die de glans veroorzaakt, oplost.
Overzichtsfoto met op de achtergrond enkele wapenpalempores - foto Erikjan Koopmans.
Overzichtsfoto met op de achtergrond enkele wapenpalempores – foto Erikjan Koopmans.
Hindelooper wentke (vrouwenjas) onderdeel van Hindelooper vrouwenkostuum. India, 1725-1750 - foto Fries Museum.
Hindelooper wentke (vrouwenjas) onderdeel van Hindelooper vrouwenkostuum. India, 1725-1750 – foto Fries Museum.
Patronen
Sits is gedecoreerd met bloempatronen, een exotische versiering die tot dan in Europa nauwelijks voorkwam. De patronen zijn zeker niet altijd natuurgetrouw, omdat vaak uit één tak verschillende soorten bloemen voortsproten. De Indiase makers speelden sterk in op de smaak van hun exportmarkten en hadden voor verschillende landen verschillende decors. Als uiteindelijk de handel met de VOC opbloeit neemt men vanuit Europa patronen mee om die in India te laten verwerken. Een typische Europese toepassing zijn de enorme wapenpalempores (spreien met een familiewapen).
Topstukken in het Fries Museum
Het Fries Museum beschikt over een omvangrijke collectie sits in goede staat. Een van de topstukken is een 18de-eeuwse kimono. De stof en het kledingstuk zijn Indiaas, het model is Japans (Nederland had in die tijd als enige een handelspost in Japan, Decima bij Nagasaki) en de drager was een rijke Hollander. De kimono is driehonderd jaar geleden beschilderd, maar ziet er nog steeds uit als nieuw. Het laat als geen ander collectiestuk zien dat in de ogenschijnlijk simpele katoenen stof diverse culturen samenkomen. Een ander topstuk is een wandkleed uit de 17de eeuw, de oudste sits in Nederland, met leeuwen, mythische vogels en amoureuze taferelen.
Detail van sitsen tafelkleed, beschilderd met fabeldieren en figuurscènes. Zuid-India, circa 1650 - foto Fotostudio Noorderblik.
Detail van sitsen tafelkleed, beschilderd met fabeldieren en figuurscènes. Zuid-India, circa 1650 – foto Fotostudio Noorderblik.
Boek bij de tentoonstelling.
Boek bij de tentoonstelling.
Activiteiten en publicatie
Rond de tentoonstelling zijn er verschillende activiteiten. Op meerdere momenten zijn er rondleidingen, lezingen en workshops te volgen. In samenwerking met Crafts Council Nederland wordt er een driedaagse masterclass gegeven. Voor wie zich verder in de sitsen wil verdiepen is er een boek over de tentoonstelling en achtergronden gepubliceerd, geschreven door curator Gieneke Arnolli.
Openingstijden
Dinsdag t/m zondag van 11.00 tot 17.00 uur

Bovenste foto: Zonnehoed met sitsen voering, geknipt uit een grote palempore met een bloeiende boom. India circa 1730 – foto Fotostudio Noorderblik.

Werken van Barbara Broekman, Linda Valkeman en Fransje Killaars - foto Erikjan Koopmans.
Werken van Barbara Broekman, Linda Valkeman en Fransje Killaars – foto Erikjan Koopmans.
Overzichtsfoto tentoonstelling - foto Erikjan Koopmans.
Overzichtsfoto tentoonstelling – foto Erikjan Koopmans.
Deel dit artikel
FacebooktwitterredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedintumblrmailby feather

Bògòlanfini, de ‘modderdoeken’ uit Mali

In Mali (West-Afrika) wordt een speciaal soort doeken gemaakt, bògòlanfini, van aan elkaar genaaide stroken handgeweven katoen, die vervolgens geverfd worden met een bijzondere techniek, waarbij gebruik wordt gemaakt van gefermenteerde modder. De bògòlanfini behoren de laatste decennia tot het populairste Afrikaanse textiel en een groot deel van de productie wordt dan ook geëxporteerd. Ondanks de groeiende vraag is de traditionele, arbeidsintensieve techniek behouden gebleven.

Leefgebied van de Bambara in Mali.
Leefgebied van de Bambara in Mali.
Traditie van een West-Afrikaans volk
De bògòlanfini (ook wel: bogolan) is een textiele traditie van de Bambara (ook wel Bamana of Banmana), een volk in West-Afrika, vooral in Mali, maar ook in Burkina Faso, Guinee en Senegal, met een eigen taal en cultuur. Van 1712 tot 1861 bestond er ook een Bambara Keizerrijk. Archeologische vondsten in deze regio hebben aangetoond dat de verfstoffen die gebruikt worden voor bògòlanfini al in de twaalfde eeuw bekend waren.
Op deze foto is nog goed te zien dat de bògòlanfini is vervaardigd van meerdere stroken stof.
Op deze foto is nog goed te zien dat de bògòlanfini is vervaardigd van meerdere stroken stof.
Maar wat is een bògòlanfini precies? Het is een katoenen lap, meestal zo’n één bij anderhalve meter groot, gedecoreerd met geometrische patronen in zwart of bruintinten op een lichte, naturelkleurige ondergrond. De betekenis in de taal van de Bambara is samengesteld uit bògò ‘aarde’ of ‘modder’, lan ‘met’ of ‘door middel van’ en fini ‘stof’. De lap wordt door mannen gedragen als hemd tijdens de jacht en door vrouwen als omslagdoek. Wat een bògòlanfini werkelijk onderscheidend maakt is de techniek waarmee deze geverfd wordt.
Wever (guessé dala) van de smalle stroken katoenen stof.
Wever (guessé dala) van de smalle stroken katoenen stof.
Mannen en vrouwen hebben ieder hun eigen taak
De katoen wordt traditioneel gesponnen met een spindel door vrouwen. De gesponnen katoen wordt door mannen in stroken van ongeveer 10-15 cm breed op een handweefgetouw geweven. De stroken worden dan aan elkaar gestikt tot lappen van ongeveer één bij anderhalve meter, tegenwoordig soms ook groter. De vrouwen zorgen vervolgens voor de decoratie, gebaseerd op eeuwenoude tradities waarbij de uiteindelijke doelstelling, bijvoorbeeld bescherming tijdens de jacht of het afweren van kwade geesten bij vrouweninitiatie, het leitmotiv vormt.
De katoenen lappen worden geverfd met modder, waardoor de bògòlanfini ook wel bekend staan als ‘mud cloths’. De lappen worden hiertoe eerst gewassen in gekookt water en vervolgens gedroogd. Dan wordt de stof ondergedompeld in een vloeistof die de bladeren van de inheemse Bogolon-boom bevat. Deze vloeistof kleurt de katoen donkergeel en maakt dat de stof de uiteindelijke kleurstof absorbeert. Het is een soort fixeermiddel.
De decoratie van bògòlanfini wordt traditioneel door vrouwen gedaan.
De decoratie van bògòlanfini wordt traditioneel door vrouwen gedaan.
Geverfd met gefermenteerde modder
Als kleurstof wordt een soort leem gebruikt die een hoog ijzergehalte heeft en die afkomstig is van de oever van plaatselijke rivieren. Deze leem heeft minstens een jaar in aardewerken potten staan fermenteren, waardoor deze een zwarte kleur heeft gekregen. De modder wordt met stokjes, riet of soms een borsteltje op de stof aangebracht. De modder reageert met het fixeer in de stof. Als de modder opgedroogd is wordt de stof gewassen en in de zon gedroogd. Om de kleur donkerder te maken wordt dit proces meerdere malen herhaald, waardoor het ook mogelijk is om met meerdere kleurschakeringen te werken, van lichtbruin tot zwart.
Als de kleur uiteindelijk de gewenste diepte heeft bereikt wordt de lap gewassen in een vloeistof die gierstzemelen en pinda’s bevat, waardoor de kleur gefixeerd wordt en op de niet-geverfde delen het geel van de eerste fixeer verdwijnt en de oorspronkelijke naturelkleur van het katoen weer te zien is. Na vier tot zeven dagen is de lap dan klaar.
Soms wordt de leem aangebracht met een borsteltje.
Soms wordt de leem aangebracht met een borsteltje.
Decoratie
De decoratie van de bògòlanfini is niet zomaar versiering, maar heeft een betekenis. Het zijn abstracte of semi-abstracte afbeeldingen van alledaags voorwerpen of elementen uit de natuur. De populairste afbeeldingen symboliseren belangrijke gebeurtenissen uit de geschiedenis van de Bambara of het succes van helden.
Ook de richting van de patronen is geen toeval; voor vrouwen is het patroon horizontaal, omdat de bògòlanfini om het lichaam wordt gewikkeld, terwijl van de lap voor mannen een hemd wordt gemaakt en de stof verticaal wordt gedragen en het patroon daarop wordt aangepast. Jagers geloven dat de patronen doordrongen zijn van ‘nyama’ en deze de jager tijdens de jacht zullen beschermen. Nyama staat voor energie of levenskracht.
Een moderne toepassing van bògòlanfini.
Een moderne toepassing van bògòlanfini.
Textiel met toekomst
Terwijl veel textieltradities langzaam uitsterven, maakt de bògòlanfini sinds de onafhankelijkheid van Mali (1960) juist een gestage opmars door. Nationaal is kleding van bògòlanfini vaak te zien bij overheidsbijeenkomsten. De bògòlanfini wordt tegenwoordig gezien als typisch Malinees in plaats van alleen maar van de Bambara.
Internationaal is de bògòlanfini bekend geworden door de in Mali geboren mode-ontwerper Chris Seydou (Seydou Nourou Doumbia). Opgeleid in Kati (Mali) en Abidjan (Ivoorkust), vertrok hij in 1971 naar Parijs en werkte daar onder andere voor Yves Saint-Laurent. Terug in Abidjan (1981) ging hij van bògòlanfini westerse kleding, zoals jasjes en minirokken, maken en vermarktte hij die in de VS en Europa. Ook westerse couturiers, zoals Oscar de la Renta, gebruikten de bògòlanfini of in ieder geval de typische decoratie daarvan in hun mode.
Behalve in mode komen we de bògòlanfini tegenwoordig ook in westerse interieurs tegen, omdat de stof en vooral de decoratie zo typisch Afrikaans of ‘etnografisch’ op ons over komt. In Mali wordt een groot deel van de productie door toeristen gekocht of geëxporteerd. De bògòlanfini is daarmee een blijvertje.
Boeken over bògòlanfini
Bogolanfini Mud Cloth (met cd-rom) door Sam Hilu, isbn 978-0764321870
African Mud Cloth. The Bogolanfini Art Tradition of Gneli Traore of Mali door Pascal James Imperato

bogolanfini-bogolanfini-mud-cloth-schiffer-books-sam-hilu-irwin-hersey-9780764321870bogolanfini-african-mud-cloth-the-bogolanfini-art-tradition-of-gneli-traore-of-mali

 

Bògòlanfini - Smithsonian National Museum.
Bògòlanfini – Smithsonian National Museum.
Kussens bekleed met bògòlanfini.
Kussens bekleed met bògòlanfini.

Verschillende voorbeelden van bògòlanfini van de Coopérative de Femmes à Djenné (Franstalige video).

Bògòlanfini in Djenné, Mali.
Bògòlanfini in Djenné, Mali.
Deel dit artikel
FacebooktwitterredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedintumblrmailby feather

Art Textiles: Marian Clayden

Marian Clayden, Dip Dye, 1970, ruwe katoen, gevouwen en met afdektechniek geverfd.

Het Fashion and Textile Museum in Londen houdt een overzichtstentoonstelling van de onlangs overleden textielkunstenares Marian Clayden, bestaande uit textielkunstwerken van zijde, velours, katoen en gevilte wol. Deze Britse kunstenares (1937-2015) heeft met haar psychedelische, met afdektechniek geverfde stoffen een zeer succesvol modebedrijf in de Verenigde Staten opgebouwd. Op de tentoonstelling ziet u hoe, door gebruik van Shibori verftechnieken, met eenvoudige middelen rijke en complexe effecten bereikt worden.

Marian Clayden.
Marian Clayden.
Marian Clayden werd in Preston, een belangrijke textielstad in het noorden van Engeland geboren. Van beroep was zij onderwijzeres. Toen zij echter een gezin stichtte en niet meer werkte herinnerde ze zich een cursus op school waarbij stoffen werden geverfd en bedacht dat ze dat ook eens thuis kon proberen. Ze had binnen een jaar succes met een tentoonstelling in Sydney. Alhoewel de techniek die ze gebruikte om textiel te verven in veel culturen worden toegepast, gebruikte ze zelf een naam uit Zuidoost-Azië: plangi.
Hippie-stijl
Toen ze in 1967 naar Californië verhuisde viel haar werk snel in de smaak bij de toen opkomende hippie-gemeenschap. De definitieve doorbraak kwam toen Nancy Potts, de decor-ontwerpster van de rockmusical ‘Hair’, haar werk ontdekte en ze de opdracht kreeg om voor zowel het decor als de kleding stoffen te leveren.
Shibori-werk van Marian Clayden.
Shibori-werk van Marian Clayden.
Gedurende de jaren zeventig bleef ze geverfde stoffen verkopen. In 1975 verbleef ze een jaar in Iran, wat haar stijl wezenlijk beïnvloedde. Teruggekomen in de Verenigde Staten verkocht ze steeds meer textiel aan mode-ontwerpers. Eind jaren zeventig nam ze de beslissing om zelf kleding te gaan maken van haar bijzondere stoffen. Volledig autodidact huurde zij een aantal thuiswerksters in om kleding te maken volgens eenvoudige ontwerpen, die door de handgeverfde stoffen toch bijzonder waren.
Art to wear
Om meer van het modevak te weten te komen werd ze lid van de ontwerpersgroep Fashion Network in San Francisco. Met die kennis en de steun van een investeerder groeide haar onderneming snel. Handgeverfde stoffen waren altijd haar handelsmerk geweest, maar nu kregen haar stoffen een sensationelere uitstraling, waardoor haar kleding werd aangeduid als ‘art to wear’. Langzamerhand ontwikkelde ze zich meer tot een haute couture ontwerpster en sinds 1995 verkocht ze, behalve in alle betere zaken in de VS, ook kleding naar Groot-Brittannië en Japan. Daarnaast werden haar ontwerpen ook in collecties van musea opgenomen.
Mode van Marian Clayden.
Mode van Marian Clayden.
Haar bedrijf ontwikkelde zich voorspoedig tot de crisis die werd veroorzaakt door de gebeurtenissen van 9/11. Toen zij in 2005 ernstig ziek was geworden, bleek het niet mogelijk om het bedrijf voort te zetten. Marian Clayden overleed uiteindelijk in september 2015.
Openingstijden tentoonstelling
Dinsdag t/m zaterdag 11.00 – 18.00 uur
Donderdag 11.00 – 20.00 uur
Meer van haar werk ziet u op de aan Marian Clayden gewijde website.
Een collectie mode-ontwerpen van Marian Clayden.
Een collectie mode-ontwerpen van Marian Clayden.
Deel dit artikel
FacebooktwitterredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedintumblrmailby feather