De diverse Shibori-technieken nader toegelicht

Shibori is een verftechniek met een Japanse naam, die ook in een aantal andere landen wordt toegepast. Door bepaalde delen van de stof te ‘blokkeren’ voor de kleurstof, kan men bijzondere kleureffecten bereiken. In die zin lijkt het op het batik, maar terwijl bij batik delen van de stof met was worden afgedekt voor het verven, wordt bij Shibori de stof gevouwen, afgebonden of vastgenaaid om bepaalde delen voor de kleurstof onbereikbaar te houden. In dit artikel zullen we de diverse Shibori-technieken toelichten, met natuurlijk een paar voorbeelden erbij.

De Shibori-technieken worden in twee groepen verdeeld: de met naald en draad gecreëerde ontwerpen, een groep met een aantal onderverdelingen, en de overige, waarbij de stof voor het verven gevouwen, bij elkaar gebonden of geklemd wordt, zodat de verf de diepliggende delen niet bereikt.
Shibori met stikseltechnieken
Deze techniek wordt in Japan, Afrika en Indonesië gebruikt en heet aldaar respectievelijk nui shibori, adire alabere danwel tritik. De volgende gereedschappen zullen u hierbij behulpzaam zijn:
– (Transparante) liniaal
– Passer
– Papierschaar
– Markeerpen met wateroplosbare inkt
– Dunne, witte katoenen stof (om mee te beginnen, u kunt altijd later andere stoffen proberen)
– Sterk katoenen garen
– Naald, schaar en vingerhoed
Shibori met stikseltechnieken zijn onderverdeeld in de volgende soorten:
Mokume shibori
Mokume shiboriDit is een van de eenvoudigste shibori-technieken, een soort smokwerk, waarbij u de stof voor het verven plooit en de plooien vastnaait. Het effect dat u krijgt lijkt enigszins op een patroon van houtnerven. Het mooiste resultaat krijgt u wanneer u de parallelle rijen steekjes niet te dicht bij elkaar laat lopen, zodat u niet alleen een horizontaal patroon krijgt (met de plooien mee), maar ook verticaal, omdat op de plaats waar de steekjes zitten de verfstof het textiel moeilijker bereikt dan in de ruimte tussen de rijen steekjes.
Mokume shiboriVoor mokume shibori neemt u een stuk katoen, welke u aan één kant om de twee à drie cm markeert. Op deze plaats zet u de eerste steek met een knoop goed vast. Vervolgens naait u een rechte lijn steekjes naar de andere kant van de stof. Daar laat u een redelijk stuk draad over om straks de stof aan te kunnen trekken. U herhaalt dit over de hele stof totdat deze geheel is voorzien van rijen steekjes. Deze hoeven overigens niet al te regelmatig te zijn, want de charme van iedere vorm van shibori is nu juist het spontane en enigszins oncontroleerbare effect van de techniek. Vervolgens trekt u aan de losse draadeinden de plooien in de stof en knoopt u het uiteinde vast. U kunt vervolgens de stof naar eigen voorkeur verven. Nadien haalt u de draden eruit en heeft u een stuk mokume shibori.
Karamatsu shibori
Karamatsu shiboriKaramatsu betekent lariks en het met deze shibori-techniek verkregen patroon lijkt op de uitgestoken takken van de lariks. Bij deze techniek begint u met drie ronde mallen van karton te maken van respectievelijk 5, 3,5 en 2 cm diameter. Op de stof markeert u om de 5 cm een rechte vouwlijn. Leg de grootste mal op de vouwlijn en markeer een halve cirkel. Vervolgens legt u in deze halve cirkel de kleinere mal en markeert weer een halve cirkel en hetzelfde doet u met de kleinste mal. Herhaal dit langs dezelfde vouwlijn, iedere grootste cirkel 2-3 cm vanaf de vorige. Vervolgens doet u hetzelfde op de volgende vouwlijn, maar dan de cirkels om-en-om verspringend met die van de vorige rij (het hart van de cirkel ligt tegenover de ruimte tussen twee cirkels op de vorige lijn). Ga zo door tot de hele stof bedekt is.
Karamatsu shibori, boven afgebonden, onder het resultaatVervolgens vouwt u de stof langs de eerste lijn. Neem een dubbele draad in de naald, maak een knoop bij de eerste steek en maak een rij steken over de grootste halve cirkel. Laat een stukje draad vrij, maar vervolg daarna met dezelfde draad op de volgende cirkel de steken en zo verder totdat u aan het andere eind van de stof bent, waar u zo’n 10 cm draad over dient te houden. Herhaal dit bij de volgende rijen halve cirkels, maar kijk uit dat u niet de vorige rij aan de volgende vastnaait. Trek daarna de draden voorzichtig aan en zet het uiteinde van de draad goed vast. Vervolgens kunt u zoals gebruikelijk de stof verven en daarna de draden eruit halen om het resultaat te aanschouwen.
Ori-nui shibori
Ori-nui shiboriDit zijn lineaire patronen, waarmee u de stof een streep- of ruitdesign geeft. Een variant hierop is om de lijn niet recht, maar een beetje golvend te laten lopen, wat tatewaku heet. Markeer voor ori-nui shibori op een stuk stof elke 5 cm een rechte lijn. Vouw de stof over de eerste lijn en maak op de gebruikelijke wijze een rij steekjes dicht langs de vouw. Doe dit langs alle vouwen en trek vervolgens de draad aan en zet het uiteinde met een knoop goed vast. Na het verven, wassen en het verwijderen van de draden heeft u een ori-nui patroon.
Ori-nui shibori (gekruist patroon)Varianten hierop: maak kruisende rijen. Naai eerst alle horizontale lijnen en daarna alle verticale. Trek de draden in dezelfde volgorde aan. U heeft nu een soort ruitpatroon. Of teken, in plaats van rechte, enigszins golvende lijnen. U kunt hiervoor het beste een mal voor de golvende lijnen maken of een andere gebogen vorm gebruiken.
Maki-nui shibori
Maki-nui shiboriDeze techniek lijkt op Ori-nui shibori, maar hierbij maakt u geen rechte rij steken evenwijdig aan de vouw, maar haalt u de draad telkens, onder een schuine hoek, om de vouw heen. U krijgt zo een kepervormig patroon. Deze techniek wordt ook veel in Afrika gebruikt, soms met een variant waarbij een ruitpatroon wordt gevormd met in de ruiten weer een kruis.
Maki-age shibori
Maki-age shiboriDeze techniek is een buitenbeentje, want een combinatie van zowel genaaid als afgebonden shibori. U begint met het markeren van een aantal bladvormen op de stof. U naait steekjes langs de bladrand en trekt daarna de draad goed aan en knoopt deze vast. De stof binnen het stiksel steekt nu omhoog. Deze stof omwikkelt u met een draad, al dan niet door de draad er spiraalsgewijs of kruiselings er omheen te wikkelen. De draad zet u hierna vast met een knoop. Daarna verft u de stof. Experimenteert u eens met verschillende vormen en beide manieren van afbinden, om de verschillen te zien.
Andere shibori-technieken
Dit zijn dus technieken waarbij geen naald te pas komt, maar waarbij het effect verkregen wordt door afbinden, persen en vouwen van de stof.
Arashi shibori
Arashi shibori om een paal gebondenBij arashi shibori wordt de stof om een paal heen gewikkeld. Oorspronkelijk was dit een hol stuk bamboe, tegenwoordig gebruikt men meestal een stuk regenpijp van de bouwmarkt, dat hetzelfde effect geeft. Het formaat is meestal zo’n 10 cm doorsnee met een lengte tussen de 50 en 100 cm.
Kimono van arashi shiboriKnip een strook stof van ongeveer 20 cm breedte en wikkel deze diagonaal om de buis heen, zonder dat de stof over elkaar heen komt. Plak al doende de stof vast met afplaktape, zodat deze blijft zitten. Wikkel vervolgens een draad om de stof, in tegengestelde richting ervan en met een regelmatige afstand van elkaar. Terwijl u hiermee bezig bent haalt u de overbodig geworden stukjes tape weg. Werk dit af tot het einde van de stof en knoop vervolgens de draad vast. Verf de stof op de buis in een staand verfbad. Haal daarna de draad voorzichtig van de buis. Was en laat de stof vervolgens drogen. U heeft nu een patroon verkregen met diagonale strepen.
Itajime shibori
Itajime shiboriBij itajime shibori wordt de stof eerst in stroken, vervolgens in vierkanten of driehoeken gevouwen en daarna tussen twee plankjes geklemd. Doordat de stof strak tussen twee planken geklemd zit, dringt de verf alleen bij de zijkanten van het gevouwen stuk stof binnen.
Neem een stuk stof en vouw dit harmonicagewijs in gelijke stroken. Vervolgens kunt u, a. de stof zigzaggend vouwen tot een vierkante stapel of, b. een uiteinde omvouwen tot een driehoek en zo, eveneens zigzagsgewijs, verder gaan tot u een driehoekige stapel hebt. Deze stapel klemt u nu tussen twee plankjes die u met draad of een klem tegen elkaar klemt. Hoe strakker u de plankjes tegen elkaar klemt, des te minder diep dringt de verf in de stof. Verf vervolgens de stof. Hierna dient u de stof weer voorzichtig uit te vouwen en daarna bij voorkeur liggend te drogen, zodat de verf niet uitloopt. U hebt nu een patroon van vier- of achtkantjes gekregen.

Video van Laura Myriam Biran waarin de diverse Shibori-technieken worden getoond.

Tesuji shibori
Bij deze techniek plooit u de stof zigzagsgewijs, waarna u de verkregen langwerpige stapel omwind met draad. Dit kunt u, al naar gelang het gewenste effect, losjes doen met een paar aparte draadjes of dichter over de hele lengte met één lange draad. Vervolgens verft u het geheel. U krijgt een gestreept patroon.

Tesuji shibori

Dit zijn de belangrijkste shibori-technieken. Op iedere techniek zijn complexere variaties te bedenken en er zijn nog meer technieken. Toch kunt u hiermee aardig vooruit. Aarzelt u vooral niet te experimenteren, want zo doet u de interessantste ontdekkingen. Probeer het niet te mooi of te precies te doen, want juist in de speelse toepassing van de shibori-techniek vindt u de grootste charme.

Deel dit artikel
Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailby feather

Het weefatelier van Maximiliaan van der Gucht

Wanneer men aan wandkleden denkt, denkt men vaak in de eerste plaats aan Vlaamse wandkleden. Dat is niet terecht, want in de 17de en 18de eeuw waren er in Middelburg, Delft, Haarlem en Gouda een aantal belangrijke weefateliers, die in binnen- en buitenland vermaardheid genoten. Eén van deze ateliers was van Maximiliaan van der Gucht, die wandtapijten heeft geleverd aan o.a. de koningshuizen van Polen en Zweden. Ook in Nederland is van hem nog werk te vinden. Zijn werk behoort tot het beste wat Nederland op dit gebied heeft voortgebracht.

Wat is tapijtweven?
De wollen, soms deels zijden wandkleden worden ook wel gobelins of tapisseriën genoemd. Deze laatste naam is verwarrend, omdat hier ook borduurwerk mee wordt aangeduid. Met een wandkleed bedoelen wij een geweven kleed, waarbij echter niet, zoals bij gewoon weven, de inslagdraad over de gehele breedte van de ketting of schering loopt, maar in korte stukjes, zolang totdat er weer van kleur gewisseld wordt. Het gaat hier om uiterst tijdrovend handwerk, waarbij de prijs vaak per vierkante el werd berekend (1 el was 68,8 cm).
Stoel met bekleding van Van der Gucht in het Prinsenhof te DelftBij de vervaardiging van een wandtapijt werd er eerst een miniatuurontwerp gemaakt door een kunstenaar-schilder. Dit ontwerp werd vervolgens in delen in spiegelbeeld op kartonnen gezet (door een cartonier). Zo’n karton werd dan achter de gespannen ketting geplaatst en was dan het werkmodel voor de tapijtwever.
Er werd (en wordt) gebruik gemaakt van een verticaal of horizontaal weefgetouw, waarachter vaak tot vijf wevers tegelijkertijd bezig waren. Ieder wandtapijt bestaat uit een ketting en een inslag, die elkaar kruisen. De ketting is van ongekleurde wol, linnen of katoen, terwijl voor de inslag wol en zijde wordt gebruikt, eventueel aangevuld met goud- en zilverdraad voor de duurdere kleden.
De inslag is van een fijnere kwaliteit en bedekt uiteindelijk de ketting helemaal. Iedere stukje inslag wordt namelijk twee keer over de ketting gelegd; één keer over de even draden en dan terugwerkend over de oneven kettingdraden. De wever werkt vanaf de achterkant van het tapijt en ziet het resultaat pas als het tapijt klaar is (tegenwoordig werkt men wel met een spiegel aan de keerzijde). De breedte van het tapijt wordt bepaald door de lengte van de ketting; als het tapijt opgehangen is loopt de ketting horizontaal, terwijl de zichtbare kleuren opgebouwd zijn uit verticale draadjes.
Voor de tapijtwever werd de tekening van het tapijt dus sterk bepaald door het karton dat er achter stond. Wel had hij zijn persoonlijke inbreng door het kleurgebruik in details. Schaduwpartijen, zoals bij de plooien van kleding, werden gemaakt door geleidelijk aan het aantal draden van de lichte tint te verminderen ten gunste van de donkere tint van dezelfde kleursoort. Voor de stevigheid van het geheel werd aan de rand van een kleurvlak de draden om die van de aangrenzende kleur geslagen. Wanneer men echter een scherpe kleurscheiding wilde, liet men soms een naad tussen twee kleuren bestaan.
Wanneer een hele kamer van wandtapijt werd voorzien, stikte men de wandtapijten aan elkaar. Soms werd het geheel passend gemaakt met borders en tussenstukken. De kleden hingen aan de bovenkant vaan aan houten roeden.

Deze video van Margit Rudy geeft een goed beeld hoe een wandtapijt of gobelin gemaakt wordt.

Opkomst van het tapijtweven in Nederland
Van oudsher waren het met name de weverijen van wandtapijten in Parijs, Brussel en Antwerpen die de markt bepaalden. De opkomst van het tapijtweven in Nederland, dat wil zeggen in de toenmalige noordelijke Nederlanden, vond zijn oorzaak in de vervolging van protestanten in de zuidelijke Nederlanden door Philips II en van de hugenoten later in Frankrijk (na de herroeping van het edict van Nantes). Eind 16e eeuw vestigden enkele Antwerpse tapijtwevers zich in de noordelijke Nederlanden; onder andere Jan de Maecht in Middelburg en François Spierinck in Delft, de toenmalige zetel van de Prins van Oranje.
Wandkleden van Van der Gucht in het Stadhuis van Den BoschWaar en wanneer Maximiliaan van der Gucht werd geboren is niet bekend. Waarschijnlijk is hij in 1603 in Delft geboren. In die tijd waren de meeste tapijtweverijen gevestigd in kloosters. Dat gold ook voor de weverij van Spierinck, dat in een deel van het Agnietenklooster in Delft zat. Wellicht is Maximiliaan van der Gucht een meesterknecht geweest van Spierinck, duidelijk is in ieder geval dat hij in 1636 als zelfstandig wever in het Agnietenklooster is begonnen; wellicht heeft Spierink de weverij aan hem (moeten) verkopen.
Van der Gucht (zijn meesterteken vermeldde ‘Van der Gught’, met een g dus, maar zijn vrouw en zoons tekenden met Van der Gucht, terwijl ook een enkele keer de spelling Van der Hucht voorkwam) kreeg zijn eerste opdrachten van de stad Delft. Hij restaureerde onder andere de wandtapijten van het Prinsenhof en leverde in die eerste jaren ook wandkleden aan prins Frederik Hendrik en het Huis van Nassau (met portretten van de prinselijke familie).
De markt voor wandtapijten in Nederland was beperkt en bovendien sterk gevoelig voor de op- en neergaande economie. De calvinistische geest overheerste in die tijd, de rijken in Nederland leefde in huizen, niet in paleizen. Ook de overheid van toen was een beperkte opdrachtgever; het kwam voor dat men bij belangrijke (internationale) bijeenkomsten de tapijten huurde van de wevers. Een groot deel van de productie van Van der Gucht ging dan ook de grens over. Zo leverde hij tussen 1642 en 1648 enkele malen aan de koning van Polen (afbeeldingen van veldslagen en belegeringen) en in de jaren 1647-49 in totaal 46 tapijten voor de kroning van koningin Christina van Zweden (jachttaferelen en landschappen), dit laatste in samenwerking met andere Delftse weverijen.

'Groenwerken' van Van der Gucht in het Slot Zuylen

In Nederland bestonden de opdrachten voor Maximiliaan van der Guchts weverij vooral voor zogenaamde ‘groenwerken’: bosgezichten en landschappen. Men had hier kennelijk genoeg oorlog gezien. Door de jaren heen bleef de stad Delft een belangrijke opdrachtgever, maar uit gemeentelijke archieven blijkt ook van bestellingen van de magistraten van Utrecht, Haarlem en ‘s Hertogenbosch. Er zijn ook bestellingen van raadspensionaris Johan de Witt en van de Staten van Holland bekend. Veel betalingen heeft Van der Gucht van Delft niet ontvangen; zeker is dat een levering in 1660 door de stad Delft werd betaald met de overdracht van het Agnietenklooster aan Van der Gucht en de opdracht uit 1640 lijkt voor een groot deel een schenking van hem aan Delft te zijn.
Tafelkleed en stoelbekleding van Van der Gucht in het Deutzenhofje, Prinsengracht te Amsterdam
De weverij
Wat moeten we voorstellen van een tapijtweverij in die tijd? Het waren tamelijk grote ondernemingen; 40 man personeel was niet ongebruikelijk. Het was ook een kostbare ondernemingen: we weten dat Maximiliaan voor de oprichting van een weverij in Den Haag aan zijn zoon Bartholomeus 15.000 gulden leende, welke schuld nog steeds openstond toen deze in 1670 overleed. Andere weverijen hadden bij tegenslagen soms moeite de materialen te betalen.
Het was in die tijd gebruikelijk dat het personeel bij de weverij woonde. De afhankelijkheid van de werkgever was groot; men had nogal eens schulden bij de baas en kon daardoor niet zomaar van werkgever wisselen. Wanneer er echter veel vraag naar wandtapijten was, kocht de ene weverij soms personeel weg bij de andere. In een voorkomend geval betaalde de nieuwe baas 20 gulden om de schuld aan de oude af te lossen en nog eens 15 gulden als premie om bij hem in dienst te treden. Het jaarsalaris van een wever lag op zo’n 73 gulden. In de regel ging dit om stukloon: de wever diende in een jaar 300 tot 400 vierkante el tapijt te maken. Daarvoor werden lange dagen gemaakt – 12 uur per dag was gewoon – en ook vele, want meestal werd er ook in het weekend gewerkt.
Kamer met kleden van Van der Gucht in het BartholomeusgasthuisMaximiliaan werkte met zijn vrouw en na 1660 kwamen ook zijn zoons in de zaak. Zijn zoon Bartholomeus had een zelfstandig ‘filiaal’ in Den Haag en was in de latere jaren verantwoordelijk voor alle verkooponderhandelingen, zoon Jacobus was hoofdman van de werkplaats. Na het overlijden van Maximiliaan in 1689 (hij is stokoud geworden) zette Jacobus de zaak voort. (Bartholomeus was in 1670 reeds overleden.)
De wandtapijten (en daarnaast kussens, tafelkleden en stoelbekledingen) van Maximiliaan van der Gucht behoren tot de beste die in Nederland ooit zijn gemaakt. Ondanks dat het om kwetsbaar materiaal gaat en deze tapijten zo’n 350 jaar geleden geweven zijn, is er nog behoorlijk wat van zijn werk terug te vinden. Het loont de moeite dit prachtige handwerk eens te gaan bezichtigen.
Waar is nog werk van Maximiliaan van der Gucht te vinden?
Nederland / België
Drie Engelse jachtentaferelen in het Rijksmuseum te Amsterdam
12-delig groenwerk in de trouwzaal van het Stadhuis te ‘s Hertogenbosch
Groenwerk in de Regentenkamer van het Bartholomeusgasthuis te Utrecht
De gobelinzaal in Slot Zuylen (Ut)
De gobelinzaal in Kasteel Guntherstein, Breukelen (Ut)
Slag bij Nieuwpoort te Brussel
Buitenland
Kleden van Engelse jachten met borders, Zweedse hof
4 wandkleden geleverd aan koning Sigismund II, Wawelmuseum, Krakow, Polen
(de lijst is niet volledig)

Deel dit artikel
Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailby feather

Shwe chi doe – traditionele wandtapijten uit Myanmar

Shwe chi doe (spreek uit: Sjwee jie doo) of Kalaga is een eeuwenoude wijze van wandkleden maken, zoals die nog steeds in Myanmar (het voormalige Birma) wordt beoefend. Alhoewel Shwe chi doe letterlijk met gouddraad borduren betekent, zijn de wandtapijten met deze naam gemaakt met diverse technieken, zoals borduurwerk, applicatie en quilten. In dit artikel gebruiken we de naam voor zowel de techniek als het wandtapijt.

Oorsprong
Shwe chi doe: prins op een bootHistorische bronnen uit de Chinese Tang-dynastie en tempelinscripties in de oude hoofdstad Bagan bevestigen het bestaan van deze techniek sinds meer dan duizend jaar. De oorsprong van de Shwe chi doe stamt waarschijnlijk uit India; de vaak gebruikte naam Kalaga betekent Indiaas tempelkleed en de Indiase techniek van spiegeltjes borduren (Shisha borduurwerk) doet enigszins aan Shwe chi doe denken. Toch is Shwe chi doe een geheel unieke handwerkstijl en veel veelzijdiger dan Shisha borduurwerk.
Over het algemeen is men het erover eens dat de Shwe chi doe techniek zijn hoogtepunt bereikte tijdens de regering van koning Mindon (1853-1878). De Shwe chi doe werden gemaakt voor de koninklijke familie, de adel en de tempels van Birma. De vervaardiging vond met name plaats in Mandalay, de laatste koninklijke hoofdstad van Birma, en het belangrijkste atelier stond binnen de muren van het koninklijke paleis aldaar.

Mandalay, muur en gracht van het koninklijk paleis

Nadat Birma veroverd was door de Engelsen en de laatste koning Thibaw verbannen werd naar India, stierf de techniek zo goed als uit omdat de vervaardiging van Shwe chi doe’s onder koninklijke patronage stond. In 1954 waren er in Birma slechts 64 mensen met kennis van deze techniek en slechts één meester kunstenaar, U Khin, die nog aan het hof had gewerkt. De levering door U Khin van een aantal Shwe chi doe’s aan Jim Thompson, de beroemde zijdekoning in Thailand, heeft waarschijnlijk de doorslag gegeven bij de opleving van deze kunstvorm.
Shwe chi doe van de Birmaanse leeuw of 'chinthe'Oorspronkelijk beeldden de Shwe chi doe’s verhalen af uit de Jataka (het levensverhaal van Boeddha) en in mindere mate de Ramayana en de geschiedenis van Burma. De meeste oude Shwe chi doe’s hebben dan ook een horizontaal formaat. Tegenwoordig worden ook populaire afbeeldingen zoals de olifant, de gestileerde Birmese leeuw chinte en de Birmese sterrentekens gebruikt. Men treft nu ook vaker kleden aan die vierkant zijn. De kleinere worden soms tot kussenhoes gemaakt.
Sinds de opleving van deze techniek in de laatste decennia worden nog steeds de meeste en mooiste Shwe chi doe’s in Mandalay en omgeving gemaakt. Daarnaast vindt men ook ateliers in Yangon (Rangoon) en zelfs in Chiangmai, Thailand. Omdat Myanmar weinig toerisme kent worden de meeste Shwe chi doe’s via Thailand verkocht, waardoor ten onrechte veel mensen denken dat het om Thaise wandkleden gaat.
Techniek
Shwe chi doe is een combinatie van technieken, zoals borduren, quilten / trapunto en applicatiewerk. Oorspronkelijke Shwe chi doe’s waren zeer kostbaar door het gebruik van goud- en zilverdraad (Nagahta), gouden en zilveren lovertjes (Kyair) en edelstenen. Tegenwoordig maakt men gebruik van goud- en zilvergekleurd metaaldraad en messing lovertjes, terwijl de edelstenen zijn vervangen door al dan niet gekleurd en verhit glas. Deze materialen worden nog steeds in kleine ateliers met de hand gemaakt. Voor de basisachtergrond van het kleed wordt zwart of soms donkerblauw of donkerrood fluweel gebruikt en de centrale figuren worden gemaakt van een lichte, katoenen stof, welke nadien worden opgevuld met kapok.

Afwerking van een shwe chi doe

Een Shwe chi doe atelier wordt geleid door een meester kunstenaar, die het ontwerp maakt en leiding geeft aan een groep arbeidsters, die ieder een bepaalde techniek uitoefenen. De artiest maakt het ontwerp en tekent deze op de katoenen stof, terwijl de overige, arbeidsintensieve werkzaamheden door zijn personeel wordt verricht. In totaal werken soms wel twintig mensen aan één Shwe chi doe. De productie bestaat uit de volgende stappen:
1. Als eerste wordt de zwartfluwelen achtergrondstof gespannen op een houten frame. Het ontwerp, bestaande uit de centrale figuren, motieven en borders, wordt door de meester artiest met krijt op het fluweel getekend. Daarna worden de centrale figuren geschetst op een katoenen stof die op een ander frame gespannen is. Pas als de centrale figuren geheel zijn versierd met lovertjes en borduurwerk, worden ze uitgeknipt.
Detail van een shwe chi doe2. Het fluweel wordt versierd met gouddraad, messing lovertjes en glazen steentjes. De gouddraad kan niet door de stof getrokken worden, omdat dan de metalen bekleding van de katoenen basisdraad af zou stropen. In plaats daarvan wordt de draad met kleine steekjes op de achtergrond vastgezet. De gouddraad wordt daarvoor om een houten spoel of brodse gewikkeld. Verder worden er katoenen, wollen en zijden garens gebruikt. Borduurwerk wordt alleen toegepast voor fijne details, zoals lijnen op de centrale figuren of de haren van een danser en een paardenstaart.
3. Wanneer de centrale figuren gedecoreerd zijn, worden ze uit de katoenen stof geknipt en op het fluweel vastgezet. Aan de rand houdt men een klein gaatje open, zodat de figuren met een houten stokje met kapok gevuld kunnen worden (trapunto). Bij oude Shwe chi doe’s vindt men deze techniek overigens niet terug. Daarna wordt de achtergrond tussen de centrale figuren en de borders opgevuld met decoraties van lovertjes en dikke draden.
4. Het gereedgekomen kleed wordt vervolgens van het frame afgehaald, de rand wordt afgewerkt en de achterkant wordt voorzien van een gladde stof om het borduurwerk te beschermen.
Onderhoud
Shwe chi doe op een kussenShwe chi doe’s zijn zeer kwetsbaar; ze kunnen niet gewassen of gestoomd worden. Door het gebruik van natuurlijke materialen kunnen ze verkleuren, waardoor het aan te bevelen is om ze op te hangen op een koele en niet te lichte plaats. Omdat de kleden driedimensionaal zijn, kunnen ze veel stof verzamelen. Het beste is om ze regelmatig met een zachte borstel voorzichtig af te borstelen. De allerbeste bescherming verkrijgt u wanneer ze achter glas worden ingelijst, maar dat haalt ook de charme van het kleed enigszins weg. Bij het inlijsten is het belangrijk dat het kleed goed gespannen wordt, omdat ze door het gewicht de neiging hebben te kreukelen of uit te zakken. Het mooiste is wanneer de stof, behalve aan de rand, ook in het midden wordt vastgezet aan de harde achtergrond, zodat het gewicht goed verdeeld wordt.
Meer informatie
www.siamtraders.com/html/burma/kalaga.html
DVD: Kalagas – Burmese Embroidered Tapestries (circa 45 minuten durende DVD over het productieproces van de Shwe chi doe)
Boek: Old and New Tapestries of Mandalay door Tin Myaing Thein – Oxford University Press

 


Deel dit artikel
Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailby feather