Gebreid en gehaakt voedsel: zeker geen ‘fast food’

Gebreid eten is nuttig noch kunstzinnig, maar verwarrend en vooral erg leuk

Van alle textieltechnieken is breien en haken bij uitstek een vorm van ‘toegepaste kunst’, in de zin dat het meeste wat gebreid en gehaakt wordt een gebruiksnut heeft, vooral als kleding, terwijl bij veel andere textielvormen juist de kunstvorm, het decoratieve element, prevaleert. In dit artikel besteden we aandacht aan brei- en haakwerk dat niet nuttig, en eigenlijk ook niet kunstzinnig is; gebreide etenswaren zijn met name humoristisch en zetten ons op het verkeerde been.

Uitgebreid assortiment gehaakte snacks door de Nederlandse beeldend kunstenaar Joyce Overheul.
Uitgebreid assortiment gehaakte snacks door de Nederlandse beeldend kunstenaar Joyce Overheul.
Een chocoladetaart gebreid door Bonnie Burton.
Een chocoladetaart gebreid door Bonnie Burton.
De laatste jaren hebben diverse ontwerpsters eten als inspiratiebron voor hun brei- en haakontwerpen gebruikt. Daarbij kan het om een complete gebreide maaltijd gaan, individuele gerechten, de basisingrediënten (groente, fruit en vlees) of zelfs verpakt voedsel, zoals het gebreide potje Nutella of een flesje cola.
Is het kunst?
Bij moderne kunst wordt nog wel eens de vraag gesteld of iets echt kunst is of meer een grapje of een toepassing die vooral dient om een reactie bij de toeschouwer uit te lokken. Een ieder moet daar per geval maar zelf een antwoord op geven. Ik ben nog geen tentoonstellingen van gebreid voedsel tegengekomen in de grote musea, maar gespecialiseerde galleries (en een enkele keer een restaurant!) hebben al tentoonstellingen georganiseerd van gebreid of gehaakt voedsel.
Best nog een uitdaging om zo'n potje Nutella na te breien.
Best nog een uitdaging om zo’n potje Nutella na te breien.
Met name van Engelse ontwerpers (Engeland is toch bij uitstek een land met een goed gevoel voor humor) hebben collecties van gebreid en/of gehaakt voedsel gecreëerd. Daarnaast kwam ik ook Amerikaanse, Duitse en ook een Nederlandse ontwerpster tegen die met dit onderwerp aan de slag zijn gegaan. In dit artikel vermeld ik een paar toonaangevende ontwerpers op dit gebied en laat vooral hun werk zien, ter inspiratie en vermaak.
Een typisch Engels ontbijt: bonen met tomatensaus op toast door Jessica Dance voor Stylist Magazine - foto David Sykes.
Een typisch Engels ontbijt: bonen met tomatensaus op toast door Jessica Dance voor Stylist Magazine – foto David Sykes.
Een gebreide BigMac en french fries door Jessica Dance - foto David Sykes.
Een gebreide BigMac en french fries door Jessica Dance – foto David Sykes.
Jessica Dance
De Engelse ontwerpster Jessica Dance is een textielkunstenares en modelmaker die zich specialiseert in het creëren van tactiele, handgemaakte modellen en rekwisieten. Haar werk is te vinden in de wereld van kunst, reclame, redactie en installaties.
De installaties, perfect gefotografeerd door David Sykes, geven in eerste instantie de indruk van een echte maaltijd. Alle ‘gerechten’ zijn heel precies met de hand door Dance zelf gemaakt en uitgevoerd in lamswol. Elke foto brengt een herinnering aan een lekker, huisgemaakt ontbijt of diner tot leven; je kunt het bijna ruiken. Meer werk van Dance vindt u op haar website.
Gebreide groenten door het Letse duo MappleApple.
Gebreide groenten door het Letse duo MappleApple.
MapleApple
Terwijl Dance zich specialiseert in bereide gerechten, bestaan de werkstukken van een moeder en dochter uit Letland, werkend onder de naam MapleApple, juist uit de basis: groente en fruit. Ze breien hun werkstukken van wol- en acrylgaren en verkopen zowel de werkstukken als de patronen via internet, per stuk of als set.
Vleeswaren door Clemence Joly, The Wool Butchery.
Vleeswaren door Clemence Joly, The Wool Butchery.
Varkenskop door Clemence Joly, The Wool Butchery.
Varkenskop door Clemence Joly, The Wool Butchery.
Clemence Joly
De Franse ontwerpster Clemence Joly specialiseert zich in dat andere basisingrediënt van veel maaltijden: vlees. Haar ontwerpen zijn geïnspireerd op Franse vleesspecialiteiten. Worstjes, biefstukken, kippenpoten en zelfs een varkenskop maken alle deel uit van The Wool Butchery (de Wolslager) lijn. Haar vlezig haakwerk werd tentoongesteld in de Fabrications Gallery in Broadway Market in London.
Joly ontwierp de Wool Butchery nog voordat zij afstudeerde aan de vooraanstaande Central Saint Martins College of Arts & Design in London. Eten blijft haar fascineren en heeft haar geïnspireerd tot creaties zoals gehaakte sandwiches, eieren, patates frites en zelfs sushi. Meer van haar haakwerk is te zien op haar website.
Gebreide snacks van Susie Johns.
Gebreide snacks van Susie Johns.
Susie Johns
De Engelse ontwerpster Susie Johns is actief in veel (ook niet-textiele) technieken en ontwerpt, schrijft artikelen, geeft les en heeft een hele serie van boekjes met ontwerpen van gebreide etenswaren en gerechten uitgebracht in de serie ‘20 to Make’ van de Engelse uitgever Search Press.
Bonnie Burton
De Amerikaanse Bonnie Burton is een in San Francisco wonende auteur, journaliste, comédienne en actrice. Zij is mede-eigenaresse van de breiwinkel Colorful Stitches en heeft verschillende kunst- en handwerkboeken gepubliceerd. Zij heeft ook een eigen weblog.
Gebreide kreeft door Bonnie Burton - foto Colorful Stitches.
Gebreide kreeft door Bonnie Burton – foto Colorful Stitches.
In dit artikel ziet u wat voorbeelden van smaakvol brei- en haakwerk. Op het internet is nog veel meer te vinden, inclusief uitgebreide ontwerpen met instructies. Wij wensen u smakelijk breien en haken toe.

Bovenste foto: Installatie Breakfast Buffet voor de tentoonsteliing Wool BB, Jessica Dance – foto David Sykes.

Gehaakte rode mul met doperwten en frites door Kate Jenkins. De pailletten maken de vis nog realistischer.
Gehaakte rode mul met doperwten en frites door Kate Jenkins. De pailletten maken de vis nog realistischer.
Een uitgebreid ontbijt met o.a. pannenkoeken, uitsmijter en worstjes - foto Colorful Stitches.
Een uitgebreid ontbijt met o.a. pannenkoeken, uitsmijter en worstjes – foto Colorful Stitches.
Gewoon eens kijken hoe mensen reageren op zo'n achteloos achtergelaten gebreide banaan.
Gewoon eens kijken hoe mensen reageren op zo’n achteloos achtergelaten gebreide banaan.
Een complete groente-oogst maar niet uit de groentetuin - foto The Yarn Loop.
Een complete groente-oogst maar niet uit de groentetuin – foto The Yarn Loop.
Een gebreid kaasassortiment door Jessica Dance - foto David Sykes.
Een gebreid kaasassortiment door Jessica Dance – foto David Sykes.
Gebreide lente-uien door MappleApple, een moeder en dochter uit Letland.
Gebreide lente-uien door MappleApple, een moeder en dochter uit Letland.
Deel dit artikel
Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailby feather

Bògòlanfini, de ‘modderdoeken’ uit Mali

In Mali (West-Afrika) wordt een speciaal soort doeken gemaakt, bògòlanfini, van aan elkaar genaaide stroken handgeweven katoen, die vervolgens geverfd worden met een bijzondere techniek, waarbij gebruik wordt gemaakt van gefermenteerde modder. De bògòlanfini behoren de laatste decennia tot het populairste Afrikaanse textiel en een groot deel van de productie wordt dan ook geëxporteerd. Ondanks de groeiende vraag is de traditionele, arbeidsintensieve techniek behouden gebleven.

Leefgebied van de Bambara in Mali.
Leefgebied van de Bambara in Mali.
Traditie van een West-Afrikaans volk
De bògòlanfini (ook wel: bogolan) is een textiele traditie van de Bambara (ook wel Bamana of Banmana), een volk in West-Afrika, vooral in Mali, maar ook in Burkina Faso, Guinee en Senegal, met een eigen taal en cultuur. Van 1712 tot 1861 bestond er ook een Bambara Keizerrijk. Archeologische vondsten in deze regio hebben aangetoond dat de verfstoffen die gebruikt worden voor bògòlanfini al in de twaalfde eeuw bekend waren.
Op deze foto is nog goed te zien dat de bògòlanfini is vervaardigd van meerdere stroken stof.
Op deze foto is nog goed te zien dat de bògòlanfini is vervaardigd van meerdere stroken stof.
Maar wat is een bògòlanfini precies? Het is een katoenen lap, meestal zo’n één bij anderhalve meter groot, gedecoreerd met geometrische patronen in zwart of bruintinten op een lichte, naturelkleurige ondergrond. De betekenis in de taal van de Bambara is samengesteld uit bògò ‘aarde’ of ‘modder’, lan ‘met’ of ‘door middel van’ en fini ‘stof’. De lap wordt door mannen gedragen als hemd tijdens de jacht en door vrouwen als omslagdoek. Wat een bògòlanfini werkelijk onderscheidend maakt is de techniek waarmee deze geverfd wordt.
Wever (guessé dala) van de smalle stroken katoenen stof.
Wever (guessé dala) van de smalle stroken katoenen stof.
Mannen en vrouwen hebben ieder hun eigen taak
De katoen wordt traditioneel gesponnen met een spindel door vrouwen. De gesponnen katoen wordt door mannen in stroken van ongeveer 10-15 cm breed op een handweefgetouw geweven. De stroken worden dan aan elkaar gestikt tot lappen van ongeveer één bij anderhalve meter, tegenwoordig soms ook groter. De vrouwen zorgen vervolgens voor de decoratie, gebaseerd op eeuwenoude tradities waarbij de uiteindelijke doelstelling, bijvoorbeeld bescherming tijdens de jacht of het afweren van kwade geesten bij vrouweninitiatie, het leitmotiv vormt.
De katoenen lappen worden geverfd met modder, waardoor de bògòlanfini ook wel bekend staan als ‘mud cloths’. De lappen worden hiertoe eerst gewassen in gekookt water en vervolgens gedroogd. Dan wordt de stof ondergedompeld in een vloeistof die de bladeren van de inheemse Bogolon-boom bevat. Deze vloeistof kleurt de katoen donkergeel en maakt dat de stof de uiteindelijke kleurstof absorbeert. Het is een soort fixeermiddel.
De decoratie van bògòlanfini wordt traditioneel door vrouwen gedaan.
De decoratie van bògòlanfini wordt traditioneel door vrouwen gedaan.
Geverfd met gefermenteerde modder
Als kleurstof wordt een soort leem gebruikt die een hoog ijzergehalte heeft en die afkomstig is van de oever van plaatselijke rivieren. Deze leem heeft minstens een jaar in aardewerken potten staan fermenteren, waardoor deze een zwarte kleur heeft gekregen. De modder wordt met stokjes, riet of soms een borsteltje op de stof aangebracht. De modder reageert met het fixeer in de stof. Als de modder opgedroogd is wordt de stof gewassen en in de zon gedroogd. Om de kleur donkerder te maken wordt dit proces meerdere malen herhaald, waardoor het ook mogelijk is om met meerdere kleurschakeringen te werken, van lichtbruin tot zwart.
Als de kleur uiteindelijk de gewenste diepte heeft bereikt wordt de lap gewassen in een vloeistof die gierstzemelen en pinda’s bevat, waardoor de kleur gefixeerd wordt en op de niet-geverfde delen het geel van de eerste fixeer verdwijnt en de oorspronkelijke naturelkleur van het katoen weer te zien is. Na vier tot zeven dagen is de lap dan klaar.
Soms wordt de leem aangebracht met een borsteltje.
Soms wordt de leem aangebracht met een borsteltje.
Decoratie
De decoratie van de bògòlanfini is niet zomaar versiering, maar heeft een betekenis. Het zijn abstracte of semi-abstracte afbeeldingen van alledaags voorwerpen of elementen uit de natuur. De populairste afbeeldingen symboliseren belangrijke gebeurtenissen uit de geschiedenis van de Bambara of het succes van helden.
Ook de richting van de patronen is geen toeval; voor vrouwen is het patroon horizontaal, omdat de bògòlanfini om het lichaam wordt gewikkeld, terwijl van de lap voor mannen een hemd wordt gemaakt en de stof verticaal wordt gedragen en het patroon daarop wordt aangepast. Jagers geloven dat de patronen doordrongen zijn van ‘nyama’ en deze de jager tijdens de jacht zullen beschermen. Nyama staat voor energie of levenskracht.
Een moderne toepassing van bògòlanfini.
Een moderne toepassing van bògòlanfini.
Textiel met toekomst
Terwijl veel textieltradities langzaam uitsterven, maakt de bògòlanfini sinds de onafhankelijkheid van Mali (1960) juist een gestage opmars door. Nationaal is kleding van bògòlanfini vaak te zien bij overheidsbijeenkomsten. De bògòlanfini wordt tegenwoordig gezien als typisch Malinees in plaats van alleen maar van de Bambara.
Internationaal is de bògòlanfini bekend geworden door de in Mali geboren mode-ontwerper Chris Seydou (Seydou Nourou Doumbia). Opgeleid in Kati (Mali) en Abidjan (Ivoorkust), vertrok hij in 1971 naar Parijs en werkte daar onder andere voor Yves Saint-Laurent. Terug in Abidjan (1981) ging hij van bògòlanfini westerse kleding, zoals jasjes en minirokken, maken en vermarktte hij die in de VS en Europa. Ook westerse couturiers, zoals Oscar de la Renta, gebruikten de bògòlanfini of in ieder geval de typische decoratie daarvan in hun mode.
Behalve in mode komen we de bògòlanfini tegenwoordig ook in westerse interieurs tegen, omdat de stof en vooral de decoratie zo typisch Afrikaans of ‘etnografisch’ op ons over komt. In Mali wordt een groot deel van de productie door toeristen gekocht of geëxporteerd. De bògòlanfini is daarmee een blijvertje.
Boeken over bògòlanfini
Bogolanfini Mud Cloth (met cd-rom) door Sam Hilu, isbn 978-0764321870
African Mud Cloth. The Bogolanfini Art Tradition of Gneli Traore of Mali door Pascal James Imperato

bogolanfini-bogolanfini-mud-cloth-schiffer-books-sam-hilu-irwin-hersey-9780764321870bogolanfini-african-mud-cloth-the-bogolanfini-art-tradition-of-gneli-traore-of-mali

 

Bògòlanfini - Smithsonian National Museum.
Bògòlanfini – Smithsonian National Museum.
Kussens bekleed met bògòlanfini.
Kussens bekleed met bògòlanfini.

Verschillende voorbeelden van bògòlanfini van de Coopérative de Femmes à Djenné (Franstalige video).

Bògòlanfini in Djenné, Mali.
Bògòlanfini in Djenné, Mali.
Deel dit artikel
Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailby feather

Opus anglicanum, het mooiste borduurwerk voor kerk en koningen

Momenteel (tot 5 februari 2017) vindt in het Londense Victoria & Albert Museum een grote tentoonstelling plaats over opus anglicanum, middeleeuws Engels borduurwerk uit de 12de tot 14de eeuw. Een mooie gelegenheid om wat meer te schrijven over dit rijke borduurwerk, waarmee onder andere kerkelijke en koninklijke kleding werd versierd.

Detail van een antependium, Engels, 1315-1335.
Detail van een antependium, Engels, 1315-1335.
Er is niet veel over
Kledingstukken in opus anglicanum (Latijn voor ‘Engels werk’) zijn zeldzaam; wat er nog over is zijn meestal kerkelijke kledingstukken, omdat bisschoppen vaak in rijke kleding werden begraven. Eeuwen later vond men, bij de opening van hun graven, nog goed bewaarde kledingstukken met opus anglicanum. Sommige stukken werden verborgen door Engelse katholieke families toen veel vernietigd werd tijdens de Reformatie. Delen van kazuifels en koorkappen zijn soms bewaard gebleven omdat ze in stukken werden geknipt en een andere toepassing kregen, bijvoorbeeld in een antependium (altaarkleed) of als boekomslag.
Paus Innocentius IV (1195 – 1254) was een groot verzamelaar van kerkelijke kledingstukken in opus anglicanum. Een Vaticaanse inventarislijst uit 1295 vermeldt 113 stukken in opus anglicanum.
Wereldse toepassingen van opus anglicanum zijn helemaal zeldzaam; het werd eenvoudigweg afgedragen en weggegooid. Opus anglicanum werd nogal eens als diplomatieke gift geschonken en raakte zo verspreid over Europa.
Opus anglicanum - Borduurwerk van luipaarden, gemaakt voor Edward III van Engeland - Museum van Cluny, Nationaal Museum van de Middeleeuwen, Parijs.
Opus anglicanum – Borduurwerk van luipaarden, gemaakt voor Edward III van Engeland – Museum van Cluny, Nationaal Museum van de Middeleeuwen, Parijs.
Wat is opus anglicanum?
Opus anglicanum is rijk Engels borduurwerk in glanzende zijde, goud- en zilverdraad op een ondergrond van fijn linnen en fluweel. Met het borduurwerk werden vlakken en lijnen gecreëerd die uiteindelijk afbeeldingen vormen. Door het gebruik van vuldraden onder het goud- en zilverdraad ontstaat een reliëfrijk werk, dat door het glanzende zijde-, goud- en zilverdraad een extra effect krijgt. De afbeeldingen bestaat voor de kerkelijke kleding natuurlijk uit bijbelse taferelen, voor het wereldlijke werk ook uit dierlijke, florale en heraldieke motieven.
Detail van de Syon Cope, 1310-1320 - Victoria & Albert Museum, London.
Detail van de Syon Cope, 1310-1320 – Victoria & Albert Museum, London.
Techniek
Eigenlijk bestaat opus anglicanum uit twee technieken: stiksteken waarmee met zijden garen lijntjes worden geborduurd, zowel als vlakvulling als om contouren aan te geven, en het opnaaien van goud- en zilverdraad over dikke draden katoen, zodat deze vlakken enigszins een reliëf vormen. Als ondergrond wordt een fijne, dichtgeweven linnen gebruikt. Dit werd gespannen op een borduurraam om het borduren te vergemakkelijken.
Lijntjes van stiksteken
De stiksteken voor de lijntjes worden geborduurd met een glanzende, ongetwijnde (gedraaide) zijde garen die een mooie glans geeft, kenmerkend voor opus anglicanum. De meer voorkomende getwijnde borduurgaren glanst veel minder, ook omdat deze garen vaak van een kortere vezel wordt vervaardigd.
Engel, detail van een kazuivel, Engels, 15de eeuw - Metropolitan Museum of Art, New York.
Engel, detail van een kazuivel, Engels, 15de eeuw – Metropolitan Museum of Art, New York.
De lijntjes van stiksteken worden gebruikt om de contouren van de afbeeldingen aan te geven en om kleurvlakken aan te brengen op het naturel gekleurde linnen, bijvoorbeeld vlakken in visgraat- en chevronpatroon voor de kleding van de afgebeelde personen, maar bijvoorbeeld ook lijntjes die bijvoorbeeld een gezicht meer diepte geven of de groeirichting van haar toont.
Couching
Voor het goud- en zilverborduursel wordt een techniek gebruikt die in het Engels couching heet. Hierbij wordt op het linnen in een bepaald patroon dikke, katoenen draden aangebracht. Over deze onderlaag worden vlak naast elkaar de gouden draden gelegd en deze worden met een dunne garen vastgezet op het linnen. Op deze manier liggen de gouden draden als het ware op een kussentje, wat een mooi reliëfeffect geeft. Gouddraad bestaat uit smalle strookjes bladgoud, die gewikkeld zijn om een zijden draad.
De Syon-Cope (koorkap), 1310-1320 - Victoria & Albert Museum, London.
De Syon-Cope (koorkap), 1310-1320 – Victoria & Albert Museum, London.
De Steeple-Aston-koorkap, 1310-1340, detail van een engel te paard met een luit, de oudste bestaande afbeelding van dit instrument - Victoria & Albert Museum, London.
De Steeple-Aston-koorkap, 1310-1340, detail van een engel te paard met een luit, de oudste bestaande afbeelding van dit instrument – Victoria & Albert Museum, London.
Als u deze mooie techniek zelf eens wilt beoefenen mag ik graag verwijzen naar de uitgebreide beschrijving van Sidney Eileen op haar website, waar ook verwijzingen staan naar leveranciers van de benodigde materialen. De website is in het Engels.
Vindplaats
Voorbeelden van opus anglicanum zijn in het bezit van het Cloisters Museum in New York, het Victoria & Albert Museum in London en in de kathedraal Saint-Étienne de Sens in Bourgondië, Frankrijk.

Bovenste foto: De Butler-Bowden-cope (koorkap), 1330-1350, V&A Museum.

Impressie hoe opus anglicanum wordt gemaakt – video V&A Museum.

De Chichester-Constable-kazuivel, circa 1335-1345, foto The Metropolitan Museum of Art Art.
De Chichester-Constable-kazuivel, circa 1335-1345, foto The Metropolitan Museum of Art Art.
Opus anglicanum, tentoonstelling in het Victoria & Albert Museum, overzichtsfoto.
Opus anglicanum, tentoonstelling in het Victoria & Albert Museum, overzichtsfoto.
Deel dit artikel
Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailby feather

Frida Hansen, Noors weefster van art nouveau wandtapijten

De in 1855 in de Noorse stad Stavanger geboren Frida Hansen (geboren Petersen) heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de Noorse textielkunst. Zij werd met name bekend door haar wandtapijten, die nu nog in verschillende Noorse en internationale musea te zien zijn. Overigens was zij in haar meest productieve tijd, rond het begin van de vorige eeuw, internationaal bekender dan in Noorwegen zelf, waar men vond dat haar textielkunst te weinig Noorse nationale elementen bevatte. Dat Noorwegen in 1905 onafhankelijk werd zal daarbij een rol hebben gespeeld.

Frida Hansen in 1896.
Frida Hansen in 1896.
Frederikke Boletta Petersen werd in 1855 geboren in de Noorse stad Stavanger. Door haar huwelijk in 1873 met Hans Wilhelm Severin Hansen kennen wij haar nu onder haar artiestennaam Frida Hansen. Voor haar huwelijk was zij vast van plan om kunstschilder te worden en volgde zij schilderlessen.
In 1888 ging echter het familiebedrijf failliet en vluchtte haar man voor enkele jaren naar het buitenland. De zorg voor haar gezin (met drie kinderen) kwam geheel op haar schouders. Om in het levensonderhoud te voorzien startte Hansen een borduuratelier vanuit huis. Een deel van het werk bestond uit restauratie van oude wandtapijten, wat haar belangstelling voor de weefkunst opwekte.
Libellenes dans (Dans van de Libellen), 1901, ruim 4 m breed.
Libellenes dans (Dans van de Libellen), 1901, ruim 4 m breed.
Deurgordijn, 1900 (V&A Museum, Londen).
Deurgordijn, 1900 (V&A Museum, Londen).
Oprichting eigen weefstudio
In 1889 nam Hansen deel aan de eerste weefcursus in Noorwegen en schafte zij een Oppstad weefgetouw aan. Al snel begon zij haar eigen wandtapijten te maken en had tentoonstellingen in verschillende plaatsen in Noorwegen. In 1892 verhuisde zij naar de hoofdstad en stichtte daar haar eigen weefstudio en garenververij ‘Det norske Billedvæveri’ (De Noorse afbeeldingweverij).
Traditiegetrouw is er in een tapijtweverij een rolverdeling van mensen die het ontwerp maakten en de kartonnen*, de wolververs, degenen die de ketting spanden, die het eigenlijke weven deden en die lesgaven aan leerlingen. Frida Hansen beheerste al deze vaardigheden zelf en voerde ze ook uit! Ze experimenteerde bovendien met diverse weeftechnieken en ontwikkelde een techniek waarmee delen transparant gemaakt konden worden, een techniek waar zij een patent op kreeg. Deze techniek werd met name toegepast bij portièregordijnen en kamerseparaties.
Juni (detail), 1918.
Juni (detail), 1918.
Creatieve invloeden
Hansen was in 1895 in de gelegenheid om naar het buitenland te gaan om zich in Keulen en Parijs verder te bekwamen. Zij kwam daardoor in contact met de stijl die toen in de mode was, de art nouveau (jugendstil). Een andere belangrijke invloed was van de Engelse kunstenaar William Morris, de grondlegger van de arts-and-craft-beweging en de fantasy-stijl en invloedrijk ontwerper van interieurs en boeken. De natuur was een belangrijke inspiratie voor Morris en dat zien we ook terug in de wandtapijten van Hansen.
De belangrijke internationale doorbraak voor Hansen kwam tijdens de Wereldtentoonstelling van Parijs, waar zij een gouden medaille won voor haar wandtapijt ‘Melkeveien’ (Melkweg, bovenste foto), een werk dat al aan een Duits museum verkocht was voor de tentoonstelling. Ook ander werk uit deze tijd is in de art nouveau-stijl uitgevoerd.
Rosenhaven (Rozentuin), 1901, Stavanger Kunstmuseum (foto Jonas Haarr Friestad).
Rosenhaven (Rozentuin), 1901, Stavanger Kunstmuseum (foto Jonas Haarr Friestad).
Frida Hansen op haar 75ste verjaardag in 1930.
Frida Hansen op haar 75ste verjaardag in 1930.
Huidige positie in de Noorse textielkunst
Na de eeuwwisseling raakte art nouveau op zijn retour en rond 1920 was het werk van Hansen niet meer in zwang. Vanaf 1926 tot aan haar dood werkte zij aan het Olav-wandtapijt, dat in de kathedraal van Stavanger hangt. Zij overleed op 12 maart 1931 te Oslo.
De generaties na haar hadden weinig belangstelling voor haar textielkunst. Pas in 1973 was er een grote overzichtstentoonstelling van haar werk in het Museum van Toegepaste Kunst in Oslo. Sindsdien realiseert men zich in Noorwegen dat Frida Hansen een zeer kundig textielkunstenares en pionier in haar tijd was en is de waardering voor haar tapisserieën weer gegroeid. Vorig jaar was er nog een grote tentoonstelling van haar werk in haar geboortestad Stavanger. Ook de florale motieven en het gebruik van plantaardig geverfde garens dragen in deze tijd van groter besef voor de waarde van de natuur bij aan haar populariteit.
Salomes dans, 1900, ongeveer 2 bij 7 meter.
Salomes dans, 1900, ongeveer 2 bij 7 meter.
Vilde Roser (papavers), 1899.
Vilde Roser (papavers), 1899.
Waar is werk van Frida Hansen te vinden?
Nationaal Museum – Museum van Toegepaste Kunst, Oslo
Drammen Museum, Noorwegen
Stavanger Art Museum
Koninklijk Paleis, Oslo
Nordiska Museet, Stockholm
Kathedraal van Stavanger
* Meer over de techniek van het wandtapijt weven vindt u in het artikel over Maximiliaan van der Gucht.
Danaids jar, 1914.
Danaids jar, 1914.
Faraos datter (Farao's dochter) 1897.
Faraos datter (Farao’s dochter) 1897.
Deel dit artikel
Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedintumblrmailby feather